Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vreugde en het heil. God niet bezitten, maar zich-zelf-zoeken in opzettelijke eigenliefde is de zonde —

Aan Zwingli ga ik met een enkel woord voorbij. Bruining heeft in een studie over Lutheranisme, Katholicisme en Zwinglio-Calvinisme2) er op gewezen, hoe de Zwingliaansche zonde- en erfzondegedachten deels bij Luther, deels bij Rome zich aansluiten. Geheel in Roomsche fijn ziet Zwingli de ellende van den gevallen mensch hierin, dat zijn natuur beroofd is geworden van Gods genade, ook bij hem is dus de tegenstelling die van de door Gods donum superadditum verrijkte èn de Van die gave beroofde, ontbloote natuur. Liever dan van erfzonde gewaagt hij van morbus, ziekte 8). Deze is, hoeveel ellende zij ook medesleept, den mensch niet als misdaad aan te rekenen; de eigenlijke zonde ligt in het peccatum actuale. „Velimus igitur nolimus, admittere cogimur, peccatum originale ut est in filiis Adami non proprie peccatum esse.... morbus est proprie et conditio" 4).

En als derde C a 1 v ij n. Het kan niet anders, of ook bij hem zijn zonde en genade, duisternis en licht de absolute tegenstelling. Wie is God voor C a 1 v ij n ? Hij is de Eene Machtige, uit Wien, door Wien en tot Wien alle dingen zijn, van Wien alles afhankelijk is, aan Wien alles onderworpen is. Hem komt alle eere en heerlijkheid toe, Hij is de Majesteitelijke, Hij heeft recht over alle dingen, Hij kan met wereld en met mensch doen naar Zijn vrijmachtig Welbehagen. Wat kan dan de mensch tegenover Gods onbegrepen Grootheid, tegenover Gods huiveringwekkende Majesteit anders zijn dan creatuur, onmachtig onwaardig, onheilig en bevlekt? Als „stof en asch" voelde Abraham" zich tegenoverzijn God: zóó voelt zich de mensch tegenover zijn Schepper Tenzij hij uitverkoren wordt tot het heil, kan hij niet anders zijn dan duister en verdorven, onheilige creatuur. Spreekt niet gansch de H.S. een duidelijke sprake „hominem humilitatis suae agnitione numquam satis tangi et affjci, nisi postquam se ad Dei majestatem comparavit" »). Kennisse Gods brengt tot zelfkennis, tot verdeemoediging, tot de wetenschap van eigen nietswaardigheid en armzaligheid .Ongehoorzaamheid is de wortel van alle kwaad, het gemis van vreeze en eerbied tegenover Gods woord, daarom bron van hoogmoed, trots en zinnelijkheid •). Zoo is Adam in het paradijs van God afgevallen: ongeloof en ongehoorzaamheid dreven hem tot die daad, die het geheele menschengeslacht

*nJLJ*ïï?2%' fr*^-*™» *■ 839 ..Die Sünde in aller Sünde und die Schuld in aller Schuld ist die Gottlosigkeit im strengsten Sinne des Wortes, d.h. der Unglaube der Gott nicht zu vertrauen vermag". En Luther zelf: „Mit keinem andern Werk mag man Gott erlangen oder verlieren denn allein mit Glauben oder Unglauben, mit Trauen oder Zweifeln". (E. A., 13, 302).

l\ Pr'. \ Bruinjrig. Verzamelde Studiën, 1923, dl. I, Dogmenhist Stud., I. her hat" (W H P iT^* ^ "Mange1, den ***** m sin schuld von der geburt

*) w., iv, ê.1'

*) Instit., I, 1, 3.

„„„ i Ibid-, II, 14; „Denique mfidelitas ambitioni ianuam aperuit: ambitio

Lrebat°hS^ m'^' "* homines' ^j**0 ™ sese proiicerent quo

Sluiten