Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in verderf en ellende heeft gestort. Met Luther wil ook C a 1 v ij n van concupiscentia spreken, mits men er onder verstaat de macht, die den ganschen mensch naar lichaam en naar ziel aantast. Als een onreine en verontreinigende stroom gaat deze erfzonde, deze „ingenita vitiositas ab utero matris", de geslachten door, niemand sparend. Het gaat niet slechts om een zondedaad uit ver verleden, maar om den zondetoestand, die Adams zaad volkomen heeft vergiftigd. Daarom heeft Paulus gelijk: Wij zijn allen van nature kinderen des toorns (Eph. 2:3). Men moet over het hoe of waarom der erfzonde niet verder vragen, het is, gelijk alles, Gods ordinantie: „neque enim in substantia carnis aut animae causam habet contagio, sed quia a deo ita fuit ordinatum". Intusschen, de schuld blijft. De mensch „quantum in se erat, exinanivit Dei gloriam". Men heeft er zich bij neer te leggen, al blijft het voor het verstand onpeilbaar: „Cadit ergo homo dei providentia sic ordinante, sed suo vitio cadit"1). Zoo blijft dit de laatste waarheid, dat de heele mensch „a vertice capitis ad plantam usque pedis" geen „scintilla boni" in zich draagt *). Met Luther neemt ook Calvijn aan, dat ook den in zonde gevangen mensch de wilsvrijheid büjft, maar het is de wil, die zich steeds weer uitstrekt naar de zondige daad. Een justitia civjlis, hem in staat stellend deel te nemen aan wetenschap, kunst en andere gebieden der cultuur, blijft zijn deel, maar het ééne, dat van den mensch gevraagd wordt, het werken ter eere Gods, dat kan bij niet. —

De Reformatoren, Luther en Calvijn in het bijzonder, hebben een zondebeschouwing gegeven, die dieper gaat dan wat het Katholicisme in dezen biedt. In verband met hun diepere Godsvoorstellingen: God als heiligen Liefdewil, God als Majesteit, hebben zij de lijn van Augustinus teruggevonden en verder doorgetrokken. Voor hen is zonde een uitsluitend religieus begrip, dat zich met het begrip mensch identificeert. Tegenover den heiligen God staat de onheilige mensch, de mensch in zijn rebellie tegenover Gods roepende Liefde, de mensch in zijn duisteren ik-wil, de mensch in zijn zelfvervuldheid. Tegenover het geloof als vertrouwen op Gods beloften, als vreeze des Heeren, als deemoedige overgave staat het ongeloof, de ongehoorzaamheid, het zijn-in-zich-zelf, de zonde. Als de mensch God leert kennen, weet hij allereerst van het oordeel, het gericht, dat over zijn leven gaat. „Gewissensreligion" noemde Holl Luther's godsdienst, en het geldt ook voor dien van C a 1 v ij n. Wie voor Gods heiligheid komt te staan, kan niet anders dan zichzelven zondig weten, Gode onthoudend de eere, de dank, de liefde, zondig en schuldig.

Zeker, ook Augustinus heeft van de verwoestende kracht der zonde* geweten, heeft haar gekend als wils-opstandigheid, als ongeloof, als eigenwilligheid, maar heeft deze gedachten vertroebeld door hun samenkoppeling aan de zinnelijke, kchameHjke lust,, de concupiscentia, die bij hem tot zonde zelve werd (z.b.). En ongetwijfeld hebben ook de mystieken over de zonde ware dingen gezegd, maar door hun metaphysisch dualisme bleef de zonde iets, dat den mensch m de

*) Ibid., II, a, s; II, 1, 7; Hf *f 4? UI, 23, 8. «) Ibid., III, 14, t.

Sluiten