Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitdrukking gevonden in de oud-Protestantsche zondeleer, waarin, eveneens sterker dan in het Roomsch-Katholicisme, alles zich om de polen zonde en genade beweegt. Het valt niet moeilijk hiervoor in de oud-Luthersche en oud-Gereformeerde beHjdenisgeschrrften bewijzen te vinden. De oud-Protestantsche dogmatiek, de Lutherschein sterkere mate nog dan de Calvinistische, ziet de geloofsleer vooral onder dit eene gezichtspunt: de „salus animarum". In de Confessie- Augustana heet hef Item docent quod post lapsum Adae omnes homines, secundum naturam propagati, nascantur cum peccato, hoe est sine metu Dei, sine fiducia erga Deum et cum concupiscentia, quodque hie morbus seu vitium originis vere sit peccatum, damnans et afferens nunc quoque aeternam mortem his qui non renascuntur per baptismum et Spiritum Sanctum" x). In de Apologie luidt het: „Neque vero tantum concupiscentiam norninavimus, sed diximus etiam deesse. tbnorem Dei et fidem" *) En in de Formula Concordiae lezen wij: „Wir glauben, lehren und bekennen aber hinwiederum dasz die Erbsünde nicht sei eine schlechte sondern so tiefe Verderbung menschlicher Natur, dasz nichts Gesundes oder unverderbet an Leib und Seele der Menschen, seinen innerlichen und aüszerlichen Kraften gebheben »). En ook: Demnach glauben, lehren und bekennen wir dasz unsere Gerechtigkeit vor Gott sei, dasz uns Gott die Sünde vergiebe aus lauter Gnaden ohne all unaere vorhergehende, gegenwartige oder nachfolgende Werk, Verdienst oder Würdigkeit" *). —

In de Gereformeerde zondeleer der oude belijdenisgeschriften klinkt dezelfde toon. „De mensch heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid, van die gaven (n.1. heiligheid en gerechtigheid) beroofd zegt de Heidelberger Catechismus '). En even duidelijk de Nederl. Geloofsbe^ denis: „Als hij in eere was, zoo heeft hij het niet verstaan, noch zijne uitnemendheid erkend, maar heeft zichzelven willens der zonde onderworpen, en daardoor den dood en der vervloeking, het oor biedend aan het woord des duivels" •). OnvermijdeHjk kwam de zonde, toch kwam zij als schuld. „Primo loco videndum est, quo modo dei voluntas rerum onnium quae in mundo geruntur causa sit, neque tarnen malorum auctor sit deus" '). En wat de erfzonde aangaat, bekend zijn de woorden uit de Geloofsbehjdenis en den ouden Heidelberger: „Wij gelooven, dat door de ongehoorzaamheid van Adam de erfzonde uitgebreid is geworden over het gansche menschelijke geslacht; welke is een verdorvenheid der geheele natuur en een erfelijk gebrek, waarmede de kleine kinderen zelfs besmet zijn in den moederschoot, en die in den mensch allerlei zonden voortbrengt, zijnde in hem als een wortel derzelve" en.... „wij allen in zonden ontvangen en geboren onbe-

i) Conf. Aug., Art. HJgec. naar Müller, Symbol. Bücher).

*) Apol. Conf., Art. II.

») Form. Conc, I, Von der Erbsünde.

«) IWd., III, Von der Gerechtigk. d. Glaubens vor Gott.

'1 Heid. Catech., Zondag 4.

!j ^üSSfSt ™ "schweitzer, dieGlaubenslehrederEv.-Reform.

Kirche, U, S. 36).

Sluiten