Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ware, levende vroomheid: het dogma der dubbele praedestinatie en dat der erfschuld en onvrijheid van den zondigen mensch. Geen wonder, dat de Heidelberger Catechismus voor den eerste niet anders is dan ,,menschenleer en valsche leer" en de natuurlijke voortplanting der erfzonde door hem geloochend wordt. Naar Pelagianisme klinkt het wanneer hij zegt, dat de ware erfzonde „deur navolginghe" is. In zijn „Wellevenskunste" wordt hij niet moede er op te wijzen, dat zij, die de zonde met „noodzakeHjkheid laten geschieden", alle onderscheid tusschen deugd en zonde opheffen, alle vrees voor straf en hoop op loon vernietigen, en den mensch verlagen „tot een paard of muilezel wien zonder verlangen een zware last wordt opgetast". „Daarom", — zoo klinkt het zuiver Pelagiaansch — „is het noodzakeujk dat God het willen zondigen of niet willen zondigen aan de willekeur der menschen heeft overgelaten". Zonde is „een snoode gewoonte des gemoeds van kwalijk te leven". Dat klinkt wel heel anders dan de Reformatorische uitspraken over de algeheele verdorvenheid des menschen en het „onbekwaam tot eenig goed". Geen van Adam's nakomelingschap is „gantscheüjk doodt of bedorven" meent Co o r n hert 1). In dezen zelfden geest heeft ook C o o 1 h a e s, de onvermoeide strijder voor verdraagzaamheid, hebben ook een Cornelis Wiggertsz., een Sybrants, een Herberts geleerd. Onder invloed van B u 11 i n g e r predikte Wiggertsz. de Goddelijke vaderliefde, die allen roepen wil, en durfde als antwoord op een aanklacht, tegen hem ingebracht, zeggen: „lek late na te seggen dat wij kinderen des toorns ende onnutte tot eenigen goede sijn". Niet de erfzonde wordt door hem geloochend, maar alleen zulk een kracht der erfzonde, „daer door sy machtig geachtet mach worden de Bontghenooten ende haeren saedt, de welcke Christo inghepotet syn, te verderven" »). Al scherper komt tegenover dezen geest de richting van het strenge Calvinisme te staan, onwrikbaar aan zijn dogmen vasthoudend aan het „decretum horribile" bovenal, gelijk deze in Geloofsbehjdenis en Catechismus hun vertolking hadden gekregen.

Dordrecht brengt aan dit strenge Calvinisme de zege op de Remonstranten. Wij doen echter verkeerd deze laatsten geheel en al op één tijn te plaatsen met de zoo juist genoemde figuren. Wel is het Remonstrantisme voortgekomen uit onze nationaal-Reformatorische richting maar deze laatste is immers zóó samengesteld van karakter geweest, dat het zeer moeilijk is bepaalde figuren als uitgesproken voorloopers der Remonstrantsche beweging aan te wijzen. Libertijnen als C o o r nh e r t en C o o 1 h a e s, onverschillig als zij waren tegenover elk kerkverband, mogen dan ook alleen onder voorbehoud als zoodanig worden aangezien. Het Remonstrantisme, gelijk dat in 1618 voor zijn Calvinistische rechters stond en straks zich tot kerkgenootschap organiseerde, moge verschillenden invloed hebben ondergaan, waaronder die van Erasmus in de eerste plaats, toch heeft het onmiskenbaar een eigen karakter.

door Dr1?' B^161* ï1*2** Wellevenskunst (Historische ethische studie 2? J' ten.Br.wk> Passim), verg. ook Werken, II, 236 en II, 270. ) Verg. A.J. van 't Hooft, De Theologie van H.Bullinger, i888|blz. 191,19a.

Sluiten