Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verstockung des Herzens, Blindheit, unthatiger Glaube, Scheu sich offen zu dem Herrn zu bekennen, fleischlicherSicherheitundLeichengeruch wahrzunehmen sei"1). In de 18de eeuw zet zich deze Piëtistische strooming voort in figuren als Friedrich Adolf Lampe ) en Willem Schortinghuis (gest. 1750), representanten van dat „gemoedelijke" en „bevindelijke" Christendom, dat, zonder den inhoud der calvinistische leer in eenig opzicht aan te vallen, toch zich tegenover alle dogmatisme stelt, allen nadruk leggend op inkeer, zelfonderzoek, zondebesef en bekeeringsverlangen, streng scheidend de wereld" van het Godsrijk, de levenspractijk accentueerend, maar daarin ascetisch, soms tot het ziekelijke toe. Met een enkel woord kunnen wij herinneren aan dat quietisme, dat een tijdlang in bepaalde kringen grooten invloed heeft gehad: denken wij slechts aan wat W o 1 f f en D e k e n ons in hun Sara Burgerhart en in hun Brieven mededeelen over een dergelijke Pietistisch-bevindeKjke godsdienstigheid, die het menschenleven in twee volstrekt-gescheiden deelen snijdt: zonde en genade, duisternis en licht, en die maar al te snel in de z.g. konventüceikringen en in de handen der „oefenaars" van laag allooi, ja weerzinwekkend werd. Typeerend uit vele andere dat woord van „zuster Cornelia" tot „jufvrouw Hofland": „het is met jou tobben zonder eind. Dat draait al, dat draait al in den Arrmniaanschen stinkpoel van doen, van werken en van goede vruchten dragen" »). Zondebesef is in deze kringen tot een hoogen graad van bedenkelijkheid gekomen, met zelden huichelarij kweekend en tot een quietisme leidend, dat te verwerpen is, om van de platheid en grofheid van taal, waarin deze conventikelvroomheid zich kleedt, nog maar te zwijgen.

Ook de genoemde Schortinghuis behoort hier thuis. De titel van zijn meest gelezen boek wijst reeds hierop. Hier wederom dat zondebesef, dat, itt eindelooze variaties, van eigen volslagen nietigheid en onwaardigheid getuigt, waarbij de mensch als onbegenadigde zienzelf verwerpt, veracht en haat. Doemwaardig is de mensch met alles wat hij aan en bij zich heeft: „Alles wat in en aan mij was, was ten allen tijde, van der jeugt af en nu nog voor tegenwoordig, ten eenenmaie in mijn oogen onreyn, walgelik, hatelik en ten uytersten t En bijna klassiek geworden voor dit piëtistische verwerpekjkheidsbesei zijn die woorden: „lek was immer bevangen met die sorgvuldige vreeze, dat er eenige gedagte van iets te sijn, iets te hebben of iets selfs te kunnen in mijn herte soude oprijsen.... nu leerde ik die dierbare vijf meten bij eygene bevindinge eenigsinds kennen en practizeren: ik wil met, ik kan niet, ik weet niet, ik heb niet en ik deuge niet *). Van een

»i Van hem dit lied: „Die Afgod Eigenliefde, dat fc, dat «elsfenijn dat U aan 't kruis doorgriefde, moet weer gekruisigt zijn. Geef, dat ik't bjf der zonde, dat Uter dood toe wondde, afsterve dagelijks" (gec. naar Knappert, gec.w., II, blz. 20).

») Wolff en Deken, Sara Burgerhart, II, 125. .

«i Schortinghuis, Het innige Christendom, tot overtuiginge van onbegenadigde, oesHge en opwekking van begenadigde sielen indesself« allenrni.gste en wesentlikste deelen gestaltelik en bevindelik voorgestelt in 't zamenspraeken, blz. 319, 348, 349-

Sluiten