Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

invloed, als gevolg van verschillende geestelijke factoren en tendenties, eer zal zien toe- dan afnemen. —

§ 2. De igde eeuw. Verzwakking van zondebesef. Groeiende is dus in de 17de en 18de eeuw een levensstemming, waarin voor de oude, dogmatische begrippen der zondeleer, geüjk Dordt die had vastgelegd, weinig liefde bestaat. Deze levensstemming zal in de 19de eeuw niet verdwijnen, eerder sterker worden. En de neerslag hiervan in de iode eeuwsche zondeleer zal niet te loochenen zijn. Toch mogen we dit feit ook weer niet te sterk accentueeren. Hoeveel factoren ook in de vorige eeuwen samengewerkt hebben, om ons het recht te geven te spreken van een veranderde levenssternming onder een groot deel der menschheid, hoezeer dit ook op de theologie invloed moge hebben uitgeoefend, onbilHjk zou het zijn, hierop allen nadruk te laten vallen Zondebesef en zondevoorstelling in den oud-kerkelijken, Reformatorischen zin blijven ook in den Aufklarungstijd in Calvinistische en niet in het minst, Piëtistische kringen bewaard, worden ook m de 10de eeuw met vernieuwden hartstocht gehandhaafd. Wat ook aan den geest der eeuw" gaat offeren en den zwaren klank van het Reformatorisch zondedogma tracht te verzachten, daartegenover büjven belangrijke groepen van ons Christelijk-voelend en theologisch-denkend volk aan de oude woorden en termen trouw, met groote liefde trouw, overtuigd, dat alleen daarin eigen godsdienstige beleving het best bluft uitgedrukt en bewaard. Ik denk aan iode eeuwsche bewegingen als Réveil en Afscheiding. Het Réveil: wie figuren als Is. da Costa, Groenvan Prinsterer of de Clercq nader gaat bezien, wie maar enkele van de meest bekende geschriften dezer belangwekkende en diep godsdienstige periode uit de historie onzer kerkelijke 19de eeuw gaat lezen, die beseft terstond, welke geest hier op hem afkomt. Dat is de geest van fel verzet en fel protest tegen alle matheid, lauwheid en halfheid, alle tweeslachtigheid en compromis met de wereld, waarin het godsdienstig, zedelijk en maatschappelijk leven vervallen waren, dat is de geest, die zich als de geest van boven tegenover allen wereldschen geest stellen wil, welke ten verderve leiden moet, het is de geest, die doordrenkt is van het Reformatorische en doortrild van een zeer sterk persoonüjk-religieuzen toon. Het is voortdurend slechts één roep, één bede- terug naar ons Dordtsche Calvinisme, niet terwille van den vorm die daar gesmeed is, maar terwille van wat in dien vorm verborgen liet als onmisbare levenswaarheid: daar ligt het heil voor onze zielen, de redding voor leven en wereld. Bijbelsch, Protestantsch en Gereformeerd wilde het Réveil zijn, zich naar zijn gemoedsleven dan ook op één Üjn stellend met Paulus, met Augustinus, met Luther en C a 1 v ij n, zichzelf in de religieuze gedachtenwereld dezer mannen wéérvindend1). Zoo is het te begrijpen, hoe „zonde en genade de polen zijn, waarom het in den godsdienst van het Réveil steeds weer draait, zonde in den ouden, Reformatorischen zin van zielsverdorvenheid tegenover den hoogen, heiligen God, en genade als het reddende

i) Verg. K. H. Roessingh, Verz. W., I, blz. 43 e.v.

Sluiten