Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lied der ééne harmonie óf begrippen, enkel dienend ter opbouw van het geheel, maar „van bovenaf gezien" begrepen en verklaard.

Nu wat duidelijker gezegd! Trachten wij, geheel en al afziende van finesses, den veelzijdigen en rijken tijd van het Duitsche Idealisme in drieën te verdeelen, dan verbinden zich aan die deelen de namen der drie grootmeesters: Goethe, Kant en Hegel; Goethe, den aesthetischen humanist, Kant, den moralist en Hegel, den spekulatieven monist. Noch bij den eerst-, noch bij den laatstgenoemde, noch bij allen, die om deze namen kunnen worden geschaard, hebben wij op waardeering of werkelijk begrip te rekenen voor de waarheid der Reformatorische gedachten over zonde en al wat daarmee samenhangt. Wel bij Kant: hij die de tweeheid des levens wel zeer duidelijk heeft gekend, die dwars tegenover dit empirisch leven de hoogheid en de heiligheid van de zedewet geplaatst heeft, een wet die hij zich wist gesteld in eigen leven in absolute geldigheid en die hij uitbouwde tot de wet der plicht, die zich overal plaatst tegenover deze gegeven wereld als geest tegenover natuur, als norm tegenover werkelijkheid, hij heeft geweten en gesproken van de macht, de raadselachtige maar onloochenbare realiteit der zonde, van „das radicale-Böse" in den mensch en van het „Sein" van wereld en leven, dataltijd-weertegenoverhet heilige „Sollen" staat. Kant leefde bij de tweeheid, bij het dualisme, waarbij het zonde-feit zich opdringt aan den mensch. Maar Goethe was een ander mensch en Goethe's idealisme was van gansch andere makelij. Hier niet het ethisch idealisme, dat geest en natuur scheidde terwille van de zedewet, maar hier het aesthetisch idealisme, dat geest en natuur in één Hjn zag liggen, één ongebroken lijn, dat de geest zag werken in en achter eiken vorm, dat heel deze wereld, de menschenwereld incluis, voelde als „Hülle des Geistes". Spinoza's monisme staat hier achter, maar dan van zijn rationeele zijde losgemaakt, geheel en al in poetischen, aesthetischen vorm gebracht, en Shaftesb u r y ' s ideaal van den „gentleman", die de universeele mensch geworden is, een eenheid van natuur en geest, en verder nog reiken de wortelen van dit aesthetisch idealisme en humanisme, zooals het in Goethe en zoovelen om hem heen tot uitdrukking gekomen is. Eén en hetzelfde leven omvat mensch en natuur: „überall ein Walten innerer Krafte, ein Werden und Wachsen, ein Bilden und Gestalten, ein Streben zum Ganzen" 1). Geen scheiding van geest en natuur, in alle aardsche vormen stuwt en dringt de geest, die zich in de natuur verbergt, uit die natuur te voorschijn komt, met die natuur een schoon harmonisch verbond aangaat. Als de mensch zijn natuurlijkheid zich maar laat ontwikkelen, dan groeit hij vanzelf tot zijn hoogste bestemming.

Maar zoo begrijpen wij ook den afkeer van een Goethe voor de harde en tragische kanten in het Christendom: voor hem kon religie nooit zijn „Wendung zu einer neuen Welt durch Erschütterung und Umwalzung hindurch" maar enkel „Eröffnung eines unendlichen Lebens im eigenen Leben"1), Panentheïsme. En zoo verstaan we, dat

*) R. Eucken, die Lebensanschauungen der grossen Denker 18 S. a*k s) Ibid., S. 438.

Sluiten