Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij hem en in dit aesthetisch idealisme met zijn ideaal van een humaniteit, die den geest als hoogere natuur schouwt, voor de donkere werkelijkheden van zonde en erfzonde naar Reformatorischen trant geen plaats kon zijn. „Dat is aesthetische humaniteit, eene menschelijkheid zonder verlossing of wedergeboorte, zonder den inkeer van het zondebesef en zonder den troost der genade...." 1).

En anders, geheel anders weer dan bij Goethe, doet zich dit Duitsche idealisme aan ons voor bij een Hegel. Hier in plaats van een Panentheisme een Panlogisme, de grootsche poging heel de wereld van het bestaande uit het wezen van het Begrip „herauszuspinnen". Maar ook hier idealisme en monisme: idealisme, voorzoover dat Begrip, die Idee als het eenig en waarachtig Zijnde wordt gedacht, en monisme, voorzoover in de dialektische voortgang dezer Idee alle inhoud van wereld en leven besloten is, alles, ook het schijnbaar redelooze en zinnelooze, zijn plaats en relatieve recht ontvangt. Ook hier dus de ongebroken lijn, de „ungebrochene Contmuïtfit", gelijk Brunner het noemde*): de rustelooze voortschrijding der Vernunft, waarin alle spanningen en tegendeelen opgenomen en begrepen zijn. Zoo ontvangt ook de zonde in dit monistisch gebouw haar plaats: zij wordt de noodwendige phaze, welke de menschelijke geest passeeren moet op zijn weg naar de eenheid van subject en Begrip, zij is het nog-niet-Geest zijn van wat tot Geest-zijn is bestemd. Maar zoowel in het „aesthetisch monisme" van een Goethe als in het „logisch monisme" van een Hegel verliest de zonde haar karakter van positief kwaad, wordt haar irrationeele aard van vijandschap tegen God óf ontkend óf verzwakt en worden de oude dogmen van erfzonde en erfschuld óf onbegrepen terzijde gesteld óf als mythische inkleeding van speculatief te vatten waarheden beschouwd. Noch hier noch daar wordt de werkelijkheid verstaan, die in de Reformatorische gedachten ligt verscholen. — Slaan wij uit onzen tijd een boek als van D r. J. D. B i e r e n s d e H a a n op, „Wereldorde en Geestesleven", dan ontmoeten wij een soortgelijk monisme, door hem „redelijk idealisme" genoemd. Ook hij ontkent de principieele tegenstelling in het wereldbestaan en wijst een dualistische levensleer af. Natuurlijk zijn er tegenstellingen, maar de fout van het dualisme, en van het dualistisch Christendom in het bijzonder, is, dat het van statisch tegenover elkander staande elementen spreekt in plaats van te erkennen, dat de weg der bewustwording, dien de mensch gaat, de weg is van de voortbeweging, d.w.z. de weg, waar de tegenstellingen worden opgenomen en opgeheven. „Het geestesleven is een zelfbeweging der persoonlijkheid, evenals het plantenleven een ontvouwing is van zijn beginsel. Die zelfbeweging bestaat in bewustwording en vervult in haar proces de kosmische en alomgeldige wet van tegenstellingen, daar het van den natuurstaat der zinnelijkheid tot den geestesstaat der redelijkheid overgaat", en elders: „De zinnelijke natuur is dus een moment aan de Idee in hare zelfbeweging.... De Geest vervalt tot natuur om uit deze zich op te heffen tot geestelijkheid"ï).—

!) Roessingh, Verz. W., III, blz. 30. ») E. Brunner, der Mittler, passim.

») J. D. Bierens de Haan, Wereldorde en Geestesleven, blz. 292, 218.

Sluiten