Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

persoonlijkheid des menschen weer heeft willen wekken, den zelfstandigen mensch in den mensch weer heeft willen losmaken uit alle banden en boeien. En het is dit verlangen, dat vanaf de 17de eeuw sterker en sterker de menschheid, ook een groot stuk der kerkelijke menschheid grijpen gaat. Samenvattend spreekt Eu eken van „ein Zug zum All, eine Lust und Freude am Leben, ein Trieb zum Wirken und Schaffen, eine Versetzung des Daseins in Tatigkeit, ein Verlangen nach Beherrschung der Dinge. Zusammen mit solchem Lebensdrange ein fester Glaube an das Vermogen geistiger Kraft, ein Glaube der selbst im Widerstand mehr einen willkommenen Reiz als eine lahmende Hemmung findet" 1). Maar nog eens: dat in dit alles een levenshouding zich openbaart, waarin voor de Reformatorische, oudkerkelijke waardeering van den ménsen en zijn kunnen weinig plaats is, waarin voor de Calvinistische gedachten over den zondigen mensch en de in_ Adam verdorven menschheid weinig ontvankelijkheid bestaat, dat lijkt mij onweersprekelijk. — .

3°. Wij moeten ook denken aan het sterke aesthettsche element in het moderne leven, in de moderne kunst in het bijzonder. „Es gibt eine solche" zegt Troeltsch en hij ziet haar wezen in twee kenmerken: in de ontdekking en verheerlijking van de „diesseitige wereld, en in den klemtoon, dien zij op de persoornijkheid legt. Maar in die beide kenmerken is zij „das Ende und die endgültige Zerstörenn des Augustinismus mit seiner Lehre von der absoluten Verderbtheit des Diesseits und der Sinnlichkeit" a). Pantheïstisch, monistisch is deze kunst — wij denken voornamelijk aan de poëzie — gekleurd, het oude dualisme van God en wereld heeft er plaatsgemaakt voor een immanentie van geest in stof, van oneindigheid in eindigheid, van het Eene in het vele. De werkelijkheden van zonde en schuld worden niet geloochend, integendeel, ook de moderne kunst weet wel, „dasz ihre tiefsten Que"en stromen aus dem Schmerz und dasz die reichste Seelentiefe durch Schuld hindurchgegangen ist", maar zij wil deze levensrealiteiten met zien als „aus dem freien Willen hervorgezaubertes Boses", maar daarentegen als opgenomen in den grooten levensgang, als „Ingredienzen der groszen Welteinheit, als zur Lebenstiefe notwendige Bestandteile des AUebens" »). Stephan heeft in een aardig boekje *) voorbeelden te over gegeven van deze „diesseitige", individualistische en pantheïstisch-monistische trekken, met name in de moderne Duitsche dichtkunst. Leven en wereld worden verheerlijkt, het wezenlijke verschil tusschen natuur en geest wordt weggewischt, men wil met ;;Beherrschung sondern Anbetung der im Menschen wakenden Natur ), van zedelijken strijd, voortkomend uit de spanning van „sein" en „sollen , van natuur en geest, weet deze aesthetische levenshouding met veel. „Leid ist nur Schein, nur kurzer und scheinbarer Schatten! Die Welt ist sonnig! Die ganze Erde ist der Sonne Werk."

*) R. Eucken, gec. w., S. 325.

*) E. Troeltsch, Ges. Schr., IV, S. 319.

8) Ibid. S. 320.

*) H. Stephan, Religion und Gott im modernen Geistesleben, Tübingen, 1914.

*) Ibid., S. 22.

Sluiten