Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

machtig worden van den arbeid: hij heeft deze eeuw een geheel eigen beeld gegeven, den mensch tot een dienaar en werktuig van zijn rusteloozen vooruitgang gemaakt, maar tevens dien mensch een uitermate sterk zelfgevoel geschonken: het is de „Wagner"-stemming, die zich breed gaat maken over den modernen mensch, die in trots zijn zich steeds vermeerderende practische kunde en reëels kennis aanschouwt en in fierheid wijzen kan op de ontzagwekkende vlucht, die handel en industrie, en daarachter de wetenschap zijner dagen, nemen. Geen wonder, dat een optimisme en vastverzekerd vooruitgangsgeloof deze tweede helft der vorige eeuw gaan kenmerken, een optimisme en vooruitgangsgeloof, dat voor geen raadselen'in leven en wereld terugdeinst, dat geen barricaden in de ontwikkeling van cultuur en menschheidsleven erkent en dat hoog boven alle dingen de onvolprezen waarde van den denkenden, werkenden mensch plaatst. Gevoegd bij hetantisupra-naturalisme, waarover wij reeds spraken, geeft dit alles het beeld van een levenshouding, waarbij voor de aanvaarding van de groote, duistere machten van zonde en schuld, zoowel in het persoonlijk als in het maatschappelijk leven, geen plaats is: het zal tot en over de eeuwwisseling moeten duren, het zal eerst in en door de groote wereldcatastrophe van den oorlog, en wat die schokte en uit elkander sloeg, moeten zijn, dat menschenoogen opengaan en de ontzettende gebreken en gevaren inzien van dienzelfden arbeid, diezelfde techniek en wetenschap, die decenniën lang 's menschen roem en glorie waren.

Als materialisme, evolutionisme en determinisme is de metaphysica te beschrijven, die den tijd van dit realisme kenmerkt. Dat alle drie aan de werkelijkheden des geestes, aan zonde en aan schuld, maar heel weinig recht laten wedervaren, is wel apriori duidelijk.

Het materialisme. Juist door de ontwikkeling der moderne natuurwetenschap, en, daarnaast, door het Darwinisme, dat alle teleologie causaal begrijpelijk maakte, kreeg het materialisme in de 19de eeuw zijn grooten aanhang en verbreiding. Het is genoegzaam bekend, hoe weinig er in de geschriften van Moleschott, Hackel en B ü c h n e r overblijft van de zelfstandigheid en eigen waarde van den geest en het geestelijk leven. „Ohne Phosphor keine Gedanken" meende de eerste, voor wien de chemie de eenige en alomvattende wetenschap was, en op grond der phrenologie, welke het nauwe verband tusschen hersenen en lichaam aantoonde, geloofde H & c k e 1 ook de bewustzijnsverschijnselen te kunnen verklaren en voor geen raadsel meer te staan. Evenzoo gold voor B ü c h n e r het psychische leven als niets anders dan „Ausstrahlung einer von auszeren Eindrücken geleiteten Bewegung". De mechanisch-naturalistische verklaring is voldoende alle vragen op te lossen, vandaar dat de „Monistenbund" in zijn programma het Christendom en zijn ethiek kortweg voor afgedaan beschouwde. Het is hier niet de plaats uitvoerig op deze kortzichtigheden in te gaan, wij noemen enkel een paar namen en illustreeren met een enkel citaat, om te laten voelen, dat hier een levens-en wereldbeschouwing aan het woord is, waarin de realiteit van zonde of zondebesef uitgeschakeld is. Men leze dat in D. Fr. Strausz' „Alte und Neue Glaube" na: in dit boek, met zijn achtergrond van Darwinisme 4

Sluiten