Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

levensbelangstelling daaruit in de tweede he f t der vorige eeuw is voortgekomen, van invloed is geweest, lijkt mij zeker Het sterke geloof dat een maatschappelijke verandering en ommekeer alle bestaande tegenstellingen zal doen verdwijnen, alle misdaad zal doen ophouden, daar deze immers voortkomt uit de structuur van het heerschende, kapitalistische stelsel, doet—om nog eens met Eucken te sprekenRousseau'sche stemmingen" opnieuw ontwaken. De mensch is in wezen goed, maar het kwaad komt voort uit de maatschappij: maak deze beter, én misdaad en zonde zullen verdwijnen, bet geluk zal aller deel kunnen zijn. Voeg daaraan toe, dat het sterke interesse voor de de materieelé kuituur maar al te vaak goedkoope zelftevredenheid jacht naar bloot uiterlijke welvaart oproept, denk bovendien aan de uitspraak, dat religie een overwonnen standpunt zou zijn, een middel, eenmaal gehanteerd om de massa's dom te houden — en het is te verstaan, dat dit alles niet de sfeer is, waarin de diep-persoonhjke woorden zonde en zondebesef naar hun waarheid kunnen worden begrepen Wat moet men trouwens in dien harden, feilen bestaans- en klassestnjd met deze woorden aan? Hier is de geest op andere doeleinden gericht, hier vraagt de werkelijkheid van eiken dag andere wegen te gaan dan die van inkeer en zelfonderzoek, van schuldbelijdenis en berouw, nier gaat het bovenal om geloof en vertrouwen in eigen en gemeenschappelijk kunnen, om durf en fierheid, om verzekerdheid van eigen kracht om wil tot daad. Daar komt bij, dat de kerk en offiaeele Christelijkheid het groeiend socialisme bijna algemeen vijandig, hooghartig heeft veroordeeld, den socialistischen strijd heeft veroordeeld, de sociahsusche opstandigheid als hoogmoed heeft vervloekt, en — dat voorall — dat zij in haar Calvinistische geringschatting van den mensch wel een steen des aanstoots moest zijn voor een opkomende klasse, die bovenal de waarden en krachten van den mensch als stuwingen in het oeconomischmaatschappelijk proces wilde erkennen. Zoo begrijpen wij den feilen afkeer, waarmede de sociaaldemocraten uit de vorige eeuw tegenover de religie en haar waarheden staan: deze waarheden moesten hun wel f razen zijn, waarmede van hooger hand de massa klein en dom en onderdrukt gehóuden werd. „Religion der Knechtseligkeit" noemt de socialist-philosoof Dietzgen het Christendom, en over de unmaszige Demut des Christentums in ihrer vollen Erbarmhchkeit" uit hiji zich verachtelijk: „Denn wer so seine ganze Hoffnung auf Erbarmen baut, ist doch in Wahrheit eine erbarmliche Kreatur. Der Mensch der vom Glauben an den allmachtigen Gott ausgeht, vor den Machten und Schicksalen der Natur sich in den Staub wirft, und nur m ^er Ohnmacht urn Erbarmen winselt, ist kein brauchbares Mitghed unserer heutigen Welt .... Wir (religionslose Demokratiker) wollen mit Wissen und Willen, in der Theorie wie in der Praxis, tatkraftige Wiedersacher der lammfrommen, gottseligen Ergebenheit sein."*) Wat kan men in deze kringen, levend en strijdend met den hartstocht van het klassebesef voor een betere wereld, met het Reformatorisch zondebesef aanvangen,

i) Dietzgen, Religion der Sozialdemokratie, gec. bij W. Ilgenstein, die relig. Gedankenwelt der Sozialdemokratie, 1914» S. 18.

Sluiten