Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat met Augustinus' non posse non peccare? Dat alles is slechts verachting waard! —

Natuurlijk is met de genoemde factoren nog niet alles genoemd.

7°. Zeker is ook nog een woord aan de Bijbelcritiek te wijden, die ongetwijfeld den invloed van het bijbelwoord in zijn traditioneel-Protestantsche exegese deed verminderen. In de 17de en 18de eeuw zijn het reeds de Remonstranten en Socinianen geweest, die niet alleen door hun tekstcritiek, maar ook door hun twijfel aan de absolute geldigheid der Christelijke dogmen de traditie aan het wankelen brachten, zoowel in het een als het ander Erasmus' erfenis productief makend 1). Hoe deze bijbelcritiek zich in de 19de eeuw ontwikkeld heeft, behoeven wij hier niet te bespreken. Maar dat, om slechts één ding te noemen, de reeds vroeger vermelde en voor Katholicisme en traditioneel-Protestanttisme karakteristieke samenkoppeling van de vragen omtrent zonde en schuld aan de bijbelsche gegevens van paradijsstand en zondeval door deze historische critiek losser is geworden, dat spreekt vanzelf. Hoe anders zijn wij tegenover het verhaal van den z.g. zondeval komen te staan dan onze voorvaderen! Voor heel de oud-Protestantsche dogmatiek is dit immers geopenbaarde waarheid, dogma waarop men het gansche gebouw van gedachten over lijden, dood en zonde rusten laat. Wij wijzen de historiciteit van dit verhaal natuurlijk af. En al zou de vertelling van Gen. III historisch aannemelijk kunnen worden gemaakt, dan nog is er van de justitia originalis, naar Eph. IV: 24 als gerechtigheid en heiligheid uitgelegd, niets in te vinden; in Gen. III is enkel van den staat van kinderlijke onschuld sprake. Wendt heeft gelijk, wanneer hij zegt, dat de momenten en elementen van het wezen der zonde in dit verhaal zinrijk zijn verteld, maar van een eigenlijke verklaring van den oorsprong der zonde niet gesproken wordt, Gen. III is „een zinrijke sage, wier waarde niet op de historie, maar op de vrome gedachten berust, gedachten over den mensch in zijn verhouding tot God, de menschelijke zonde, en de oorzaak der moeiten van het menschelijke leven. *)

De nieuwere bijbelcritiek,deoudebijbelschewoordenenvoorstellingen in hun traditioneele exegese aangrijpend en daardoor de tot dusver geldende fundamenten der Christelijke zondeleer brekend, heeft er zeker toe bijgedragen de kracht en invloed dezer laatste in vele kringen te verzwakken: waar de fundamenten wankelden, daar verbleekte ook het „goddelijk" karakter der oude woorden zonde, erfzonde e.d. —

8e. Tenslotte is nog te wijzen op de groeiende anti-kerkelijkheid van den modernen mensch, een anti-kerkelijkheid, welke zich o.m. openbaart in een afkeer van de geijkte kerkelijk-Christelijke terminologie, waartoe de woorden zonde en schuld wel in de eerste plaats behooren. Velen in en buiten de kerk staan schuw juist tegenover deze woorden, die men zwaar belast acht met een odium van wereldontvluchting, lijdelijkheidsstemming, levens- en arbeidsonmacht. Voor velen wijzen

Dilthey, gec. w., S. 136, verg. ook S. 141. *) Wendt, System der Christi. Lehre, 1906,1, S. 164. Een fijne teekening van den religieuzen inhoud van Gen. III geeft ook R. Seeberg in zijn Christi. Doematik, 1925, II, S. 53ff.

Sluiten