Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze woorden naar een levensrichting, die in alle opzichten tegenovergesteld is aan die, welke men voor den mensch van onzen tijd de eenigjuiste acht, spreken deze woorden een haat aan alle levensvreugde en levensgoedheid en levensschoonheid, een ascese tegenover de cultuur en haar goederen uit, welke niet genoeg bestreden worden kan. Voor velen zijn deze woorden onlosmakelijk aan huichelarij en schijnheiligheid verbonden en staat het vast, dat waarachtige, levende religie niets meer met hen van noode heeft.

En moeten wij ten allerlaatste nog wijzen op een factor, die van zuiver religieuzen aard is, misschien uit verschillende der reeds genoemde factoren is voortgekomen, maar in elk geval typisch modern te noemen is? Het is de Godsonzekerheid in onze dagen, de Godsonzekerheid van den huidigen mensch. Steinmann heeft gelijk, als hij hier de diepste, interne moeilijkheid ziet voor de prediking van het thema zonde en schuld in onze dagen1). De vraag, waarmede Luther streed, was: hoe vind ik een genadig God, een God van Liefde ? Maar de karakteristiek-moderne vraag luidt: is er een God? De moderne mensch is vol van die scepsis, die hem doet wankelen tusschen geloof en ongeloof. In beide is hij vaag. „Ik geloof, Heer, maar kom mijn ongeloof te hulp!" Noch heet noch koud is hij. Hij gaat, ook in zijn godsdienstig leven, op den middenweg. Er is maar weinig in hem van den jubel en de kracht van het God-kennen, zoo ook maar weinig van het deemoedig schuldbesef om eigen kleinheid en afstand van den norm van zijn levenl

Het spreekt vanzelf, dat al wat wij hier hebben genoemd aan factoren, die in de laatste eeuwen tot op onzen tijd toe verzwakkend op het zondeen schuldbesef, op de zonde- en schuldgedachten in den oud-kerkelijken zin hebben gewerkt, onvolledig is. Wij konden ons slechts beperken. Trouwens, het gaat ons immers enkel om de vraag, in hoeverre wij kunnen zeggen, dat de geloofsleer der 19de en 20ste eeuw — en de moderne dogmatiek in het bijzonder — door nieuwere factoren en stroomingen beïnvloed is: daarom wilden wij enkel die tendenties aangeven, welker inwerking op de zondeleer hier en ginds waar te nemen valt.

Zoo bepalen wij ons dus uit de geestelijk zoo gecompliceerde laatste eeuwen tot de genoemde acht factoren: het Duitsche Idealisme, het anti-supra-naturalisme van den nieuwen tijd, aestheticisme, persoonlijkheidscultuur, 19de eeuwsche metaphysica, socialisme en sociale levensbelangstelling, bijbelcritiek, onkerkelijkheid en Godsonzekerheid.

Wilden wij nog korter samenvatten, dan zouden wij veel modern bewustzijn kunnen vastleggen aan de woorden diesseitigkeit, monisme en optimisme.

Diesseitigkeit: de moderne mensch heeft weer de aarde, de wereld hier ontdekt, en hij wil op deze wereld zich bewust worden van eigen krachten en vermogens, op deze wereld werken en strijden. Hij gaat weigeren die wereld een terrein des Boozen te noemen, weigeren zichzelf en de menschheid als onmachtig en verdorven te beschouwen; wetenschap en kunst, techniek en cultuur stooten de deuren der wereld

*) Th. Steinmann, die Predigt von Sünde und Schuld, S. I27ff.

Sluiten