Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

studie trachten aan te toonen, dat het moderne Calvinisme, zooals dat in K u y p e r's „Stonelectures" zijn klassieke vertolking vond, voor den wat nauwkeurig speurenden criticus toch wel heel wat merkwaardige afwijkingen vertoont van het oude en on vervalsen te Calvinisme der Institutie, waaruit dan zou kunnen blijken, dat de neo-Gereformeerden( die overigens zelf, en begrijpelijk, dezen naam niet aanvaarden!) voor de nieuwere stroomingen niet gansch en al blind zijn. Dit geldt ook ten opzichte van de huidige Gereformeerde gedachten over zonde en genade, en het komt mij voor, dat H y 1 k e m a's vergelijkingen en conclusies meermalen overtuigend zijn. Bij Calvijn blijft de menschheid, de kleine schare der uitverkorenen uitgezonderd, van God verlaten, aan Satan overgegeven, met verderf bevlekt, massa perditionis. Citaten ten bewijze hiervan te geven, is overbodig: wie de Institutie opslaat, vindt ze genoeg (verg. ook blz. 25, 26). Kuyper daarentegen spreekt meer dan eens van de gemeene (of ook wel algemeene) gratie en grijpt, met het neo-Calvinisme, dit leerstuk aan „met iets van een blijde verrassing", gelijk H y 1 k e m a opmerkt. *) Immers, deze „gemeene gratie" biedt zich willig aan als een verzachting van het oud-Calvinistische decretum horribile, waarbij verreweg het grootste deel der menschheid ter verdoemenis was verwezen. Zeker, ook in de Institutie wordt over deze gemeene gratie gesproken, maar — gelijk H y 1 k e m a laat zien — er wordt daar bedoeld óf Gods goedgunstigheid over de in principe verworpen heidenwereld, een goedgunstigheid, die zich openbaart in de gaven van verstand, kunst en wetenschap, die God den heidenen toch nog wil schenken, een goedgunstigheid, die eigenlijkdient om den vloek te vervullen óf Gods genade, voor welke het gansche geslacht van Abraham bestemd is, uitgaand over allen, die door geboorte en doop tot „het volk Gods" behooren, welke genade dan gevolgd wordt door de „bijzondere", die toegedeeld wordt aan hen, die niet slechts geroepen maar ook uitverkoren zijn maar bij Kuyper is die algemeene genade noch slechts een goedgunstigheid Gods, die aan het wezenlijke vonnis niets afdoet, noch enkel een genade in de kerk van het „volk Gods", maar een genade, die uitgaat over heel de wereld buiten de kerk!9) Dat is wel geheel iets anders. Zeker, ook Kuyper kan het in schijnbaar onvervalscht-Calvinistische woorden zeggen: „zonde is niet een lagere ontwikkeling, maar het stellen van het ik tegenover God, van een eigen hoovaardij tegenover Zijn Majesteit, van eigen wilsbeschikking tegen Zijn Raad en Wet en Recht" 3), of, over erfzonde en erfschuld sprekende: „Deze drie behooren dus bijeen: Adam, aller menschen vader, begiftigd met de oorspronkelijke gerechtigheid. Deze vader aller menschen zondigde de ontzettende moederzonde van alle zonden. En eindelijk, door deze moederzonde ontstond en wierd beloopen die organische moederschuld, waar alle schuld uit voortkomt".4) En toch is de toon bij hem een andere dan bij C a 1 v ij n zelf. Deze weet buiten de kleine erve der uitverkorenen niets anders dan

*) Dr. C. B. Hylkema, Oud- en Nieuw Calvinisme, 1911, blz. 207.

2) Ibid., blz. 208 e.volg.

') A. Kuyper, E voto Dordraceno, I, 46.

4) Ibid., I, 62.

Sluiten