Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe vanuit dit monistisch, onder invloed der moderne natuurwetenschap staande, Godsbegrip over de zonde zal worden geoordeeld, is wel duidelijk. S c h o 11 e n had schijnbaar geen moeite in zijn monistisch systeem de zonde een plaats te geven. Maar zij ontving dan ook de plaats, die haar in zulk een systeem alleen maar te geven is: alle werkelijkheid, alle positiviteit moet haar worden ontzegd, zij kan geen storend element in het geheel der wereldorde zijn, zij is slechts „een niet-zijn, een nog-niet-zijn, een negatie", en hoe zou zulk een negatie „tekort doen aan de goddelijke heiligheid?" l) „De zonde is in haren aard een toestand van niet-zijn (een negatie) van hetgeen het geslacht en de enkele mensch naar aanleg en bestemming moeten zijn, en in haar ontstaan een negatie, bestemd om in een hoogere ontwikkelingsphaze van het geestelijk leven te worden opgeheven".») Zeker kunnen wij menschen onder de macht en kracht der zonde bitter lijden, maar dat komt, omdat wij het geheel niet kunnen overzien. De zonde is overgangsstaat, doorgangsstadium, zij „heeft haren plaats in het proces van de overgang uit het dierlijke leven tot de heerschappij des geestes".3) Maar hoe komt het dan, dat met de zonde smart en pijn gegeven zijn? Omdat de mensch „van dien strijd tusschen geest en vleesch, idee en werkelijkheid zich bewust geworden, met dien toestand niet langer vrede heeft, daarover smart gevoelt, naar het betere haakt en den drang gevoelt de negatie op te heffen"«). Eenmaal, zoo gelooft Schol ten, zal alle zonde verdwenen zijn, als het zedefijk-goede, dat God niet overal in dezelfde mate werkt, de boeien der zinnelijke natuur zal hebben overwonnen. — Op twee manieren zou men Scholten's zondeleer kunnen bezien, van God uit en van den mensch uit. Gezien vanuit God, den Alwerkzame, den Eene en Heilige, is zonde negatie, toestand van het nog niet volkomen ontwikkeld goede, maar zonder wezenlijk bestand. Gezien vanuit den mensch en zijn strijd, is zij noodwendige phaze in den strijd van geest *egen natuur, doorgangsstaat. Maar in beide gevallen is zij onvermijdelijk en „volkomen begrijpelijk in een natuurorde waarin het leven en de heerschappij des geestes niet op eens, maar langs trappen uit den natuurstaat te voorschijn komen".5)

Als Hoekstra Scholten aanvalt op dit deterministisch zondebegrip en meent, dat de schuld en verantwoordelijkheid hierin geen plaats meer hebben, ontkent de laatste dit en houdt aan deze begrippen vast, intusschen er wel een heel anderen zin aan gevend ").

*) J. H. Scholten, de Vrije Wil, 1850, blz. 364.

2) Ibid., blz. 181. *^

*) Ibid., blz. 362.

«) Ibid., blz. 365.

6) Ibid., blz. 363, verg. ook „Leer der Hervormde Kerk", II, blz. 576: „Zoo gaat de ontwikkeling des menschdoms uit den natuurstaat door de periode van de

TOort" P*"0^ van den striid van vleesch en geest, onder menigvuldige struikeling,

6) Scholten, Vr. W., blz. 227 „De mensch is schuldig, d.i. verpligt de idee van mensch te verwezenlijken.... Maar hij moet dit niet op eenmaal, omdat hij het niet op eenmaal kan.... Dat zedelijke moeten zal eindelijk verwezenlijkt, die schuld, ofschoon nog steeds onafgedaan, voldaan worden", blz. 239 „op zedelijk gebied is verantwoording het geven van antwoord aan zich zeiven op de vraag of onze handelingen den toets der rede kunnen doorstaan".

Sluiten