Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is als een echo van Scholten's woorden, wanneer wij bij Hugenh o 11 z lezen, dat de zonde een „onvermijdelijke voorwaarde van onze zedelijke ontwikkeling" is, in de „onverbrekelijke orde der dingen begrepen". Zij heeft geen bestand, zij is geen „ens positivum", maar negatie, nog-niet-zijn, „wij zondigen, niet door een in ons verscholen, boos element te voorschijn te brengen, maar doordien de op zichzelf goede elementen in eene verkeerde verhouding werken".1) En ook Bruining, de intellectualist onder de tweede generatie der oud-modernen, schrijft in zijn opstel „Godsdienst en verlossingsbehoefte": „De vorming der zedelijke persoonlijkheid bestaat juist hierin dat de zinnelijkheid komt te staan onder leiding en tucht van een hooger beginsel. De zinnelijkheid is op zichzelf geen zondig element in den mensch, hoe sterk ook de uit deze voortvloeiende neigingen en driften mogen zijn .... Tot zonde komt het , wanneer de natuur niet door een zedelijk willen beteugeld en geleid wordt .... Maar dan is dé wezenlijke oorzaak van de

zonde gelegen in het ontbreken van hoogere neigingen en drijf-

veeren; of, nauwkeuriger nog omschreven, in de wanverhouding tusschen deze beide categoriën van psychische factoren; hierin dat de factoren van laatstgenoemde categorie niet krachtig genoeg zijn om eerstgenoemde naar eisch onder tucht en leiding te houden", en ook „Wat is hetgeen wij als zonde qualificeeren naar deszelfs wezen anders dan hetzij overwoekerende en daardoor in ontaarding vervallende zinnelijkheid óf in verkeerde richting zich bewegend streven naar zelfhandhaving of zelfverwezenlijking?" *), uitspraken, die geheel op de lijn van Scholten's monistischen gedachtengang staan: de zonde in haar wezen doorgangsstadium, achterblijven van den geest bij de snel woekerende zinnelijkheid, maar sub specie aeterni, van God uit gezien, enkel negatie.

Naast Scholten de figuur van Opzoomer. Deze, „de welsprekende woordvoerder der empirische school in ons Vaderland" 8), komt van een geheel anderen kant dan de eerstgenoemde, is echter eveneens vervuld van grooten eerbied voor de moderne natuurwetenschappen en haar resultaten, die hij niet ophoudt aan te wijzen in hun alwerkzaamheid. In het bijzonder spreekt bij van de wet van oorzaak en gevolg, die onbeperkte heerschappij in leven en in wereld heeft. „In de natuur buiten den mensch heeft onze nasporing in de verst verwijderde, meest uit elkaar loopende deelen der schepping de onverbreekbare keten van oorzaak en gevolg ontdekt" *). 'Maar ook in den mensch zelf heerscht deze strenge wetmatigheid, die alle wilsvrijheid en alle wondergeloof afsnijdt. De wetenschap, de natuurwetenschap brengt ons in haar ijzeren wetmatigheid echter geen Godsgeloof, gelijk Scholten meende, daarvoor is in haar geen plaats. Voor geloof in God, voor den godsdienst moet een andere bron gezocht worden dan de natuur, de zinnelijke waarneming.

*•) Ph. R. Hugenholtz, de Zonde (in: Geloofs- en Levensvragen), blz. 31.

*)■ Dr. A. Bruining, Verz. Studiën, dl. II, blz. 217, 214.

*) Gec. bij Roessingh, Verz. W., I, blz. 131.

4) Mr. C. W. Opzoomer, de Godsdienst, 1864, blz. 61.

S

Sluiten