Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het gevoel is die bron. Daar alleen kan geloof in diepere geesteswerkelij kheid geboren worden. Het godsdienstig gevoel „geeft ons den waarborg dat de wereld geen doelloos bestaan heeft, dat zij het werk is van een wezen, in staat een doel te stellen en dat doel met de beste middelen te bereiken; dit alleen geeft ons de verzekering, dat er een God bestaat". „Waarlijk, zoo dit gevoel ons niet eigen was .., de godsdienst zou niet alleen te zwak zijn, om den aanval van het verstand te wederstaan, maar, wat meer is, zij zou nooit op aarde geboren zijn". x) Uit het vrome gevoel wordt dus Gods bestaan afgeleid, en nog meer dan dat! Ook verschillende praedicaten Gods leidt Opzoomer uit datzelfde gevoel af. Het bovengenoemde citaat zegt het eigenlijk al, en telkens verzekert de schrijver het ons: God is ook Wijsheid, God is ook Liefde. „Het godsdienstig geloof is niets anders dan de erkenning, dat God regeert en dat Hij wijsheid en liefde is".1) In de gevoelsbron wordt dus de godsdienstige aanvulling gevonden van hetgeen de wetenschap leert met haar wetmatigheid en noodzakelijkheid. Het gevoel legt de godsdienstige kleur over de uitspraken der natuurwetenschap: van noodwendigheid en wetmatigheid spreekt deze, maar de geloovige mensch gevoelt in die noodwendigheid en wetmatigheid Gods Wijsheid en Liefde aan het werk. Wanneer de mensch nu de geheele wereld en het gansche leven als openbaring van Goddelijke Wijsheid en Liefde ziet, zoodat hij zeggen kan, dat al, wat geschiedt, Gods werk is, goed is, dan vervult hem de „oneindige wereldbeschouwing" in tegenstelling tot „de eindige of relatieve", waarbij „zijn aandacht geheel door de eindige dingen wordt bezig gehouden"»). Gezien — en hier zet dan Opzoomer's zondeleer in—onder het licht der oneindige wereldbeschouwing, kan er van goed of kwaad, deugd of zonde niet gesproken worden, onder dat licht is al, wat gebeurt, goed, volmaakt. Aan de eindige wereldbeschouwing daarentegen is het zonde-, zoowel als het leedbegrip ontleend. „Gelijk er voor God geen natuurlijk kwaad is, zoo is er voor hem ook geen zonde. Beide bestaan slechts voor ons. Is het begrip van leed enkel relatief, het begrip van zonde is dat niet minder". Zonde is „het onvolmaakte, dat er moet zijn, maar niet moet blijven. Het heeft in Gods wereldplan zijn bepaalde plaats, maar geen plaats, waar het kan blijven. Het verschijnt om te verdwijnen. Zelf verstorend is het bestemd om verstoord te worden". Zonde en kwaad zijn dus relatieve begrippen, voor ons, niet voor God bestaande. Met nog een citaat uit Opzoomer's „Godsdienst": „Uit Gods absolute en dus volmaakte natuur gesproten is alles volmaakt, goed zonder mogelijkheid van eenige tegenstelling" 4).

Het is duidelijk: de beide bekende voormannen der Moderne Theologie in ons land, verschillend van elkander, komend van verschillenden kant (immers: S c h o 11 e n, de intellectualist, onwankelbaar geloovend in de macht der Rede, Opzoomer, de empiricus, uitgaande van de zinnelijke waarneming; Scholten de verzoening, de eenheid predikend van gelooven en weten, Opzoomer, hoewel tenslotte ook op die eenheid

*) Ibid., blz. 135, 137.

») Ibid., blz. 27.

*) Ibid., blz. 31 e.volg.

4) Ibid., blz. 46, 306, 40.

Sluiten