Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afsturend*), toch de scherpe scheiding tusschen deze twee vasthoudend), staan toch ten laatste naast elkaar. Éénzelfde geloof in Gods almacht en alomwerkzaamheid, éénzelfde kijk ook op den mensch en zijn vooruitgang, éénzelfde beschouwing van de zonde als „ens negativum", als schaduw zonder werkelijkheid, tijdelijk gegeven en onvermijdelijk, waar immers alles in ontwikkeling is begrepen en nergens de volmaaktheid aanwezig is, maar eenmaal zonder twijfel verdwijnend, als God alles in allen zijn zal. „Het booze dus niets meer dan een verschijnsel onder God, tijdelijk door Hem gewild, maar slechts gewild opdat het weer verdwijnen zou en voor het goede plaats maken" zegt Opzoomer2). En Scholten, in zijn leer der apocatastasis: totdat de mensch eindelijk uit de banden van het natuurlijke of zinnelijkegoïstische leven verlost, zijne idee geheel verwezenlijkt, en de periode der ware zedelijke vrijheid aanbreekt, wanneer God alles is in allen'"). Naast Scholten en Opzoomer als derde Hoekstra. Opnieuw, en nu wel heel sterk, een ander type van theologie! Hier, zouden we kunnen zeggen, in verschillende opzichten een teruggrijpen naar de traditioneele termen en traditioneele vormen van geloof. Hier tenminste niets van de rede-vereering als bij S c h o 11 e n of het gevoels-geloof als bij Opzoomer, hier de uitspraak, dat Godsgeloof, bewustheid van een hoogere wereld, enkel en alleen op 's menschen zedelijke behoeften, geestelijke nooden gebouwd kan zijn. In dien diepen, algemeen-menschelijken nood des levens, in de diepe onbevredigdheid, die het mensch-zijn als zoodanig met zich brengt, ligt de aanwijzing van een andere werkelijkheid, van God. Er leeft in den mensch een drang, „een heimwee naar een ander goed, iets beters" 4): zij zouden er niet zijn als er niet een antwoord ware. Zoo acht Hoekstra, door Roessingh de psycholoog onder de Moderne Theologen genoemd, het allereerst plicht 's menschen geestelijk leven, 's menschen zedelijke natuur te bestudeeren. Vanuit den levenden mensch nadert hij de problemen. Maar Roessingh heeft gelijk, wanneer hij zegt: „Wie zich in de vragen en moeilijkheden van den menschelijken geest verdiept, en daarop telkens weer alle aandacht concentreert, moet zich het geheel der dingen anders voorstellen dan hij, die alles tracht te overzien vanuit de denkbeelden, die hij zich, op welken grond dan ook, over God heeft gevormd" *). Daarom vinden wij dan ook bij Hoekstra een andere zondebeschouwing dan die, welke de monistische lijn in het oude Modernisme ons laat zien. Het zondebegrip naderend vanuit de zedelijke empirie zelve, kan het niet anders of de nadruk moet wel sterk vallen op de mysteriën, die met het bestaan der zonde gegeven zijn, waarvan dat van het samengaan der Goddelijke almacht met de menschehjke vrijheid het zwaarst te doorgronden blijft: Scholten's monisme, dat alles zijn vaste plaats gaf in de

1) Verg. het laatste hoofdstuk van ,,De godsdienst". *) Ibid., blz. 315.

3) Scholten, Vrije Wil, blz. 285.

4) S. Hoekstra, Leer des Evangelies a, 1858, blz. 3. Verg. ook van denzelfde: Bronnen en Grondslagen van het godsdienstig geloof, 1864.

5) Roessingh, Verz. W., I, blz. 148, 149.

Sluiten