Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kierkegaard meent. Ik geloof, dat wel degelijk aan de psychologie óók kan worden opgedragen het zondebesef te onderzoeken, zooals dat achter de verscheidenheid van zondeleer verborgen ligt en zich roeren kan in den ernstigen mensch, die zijn leven gaat stellen tegenover een heiligen norm en zich bewust wordt van de donkere, geheimzinnige macht en werkelijkheid, welke zonde heet. En zietdaar dan, nauwkeuriger uitgedrukt, de taak, die ons wacht in dit hoofdstuk: wat is het wezen van het zondebesef, waarheen elke zondeleer toch zeker wijst? Het slechts onvolledige overzicht over de ontwikkeling der zondeleer in de Hollandsche theologie na de Reformatie, waaraan wij ons in het vorig hoofdstuk gewaagd hebben, beëindigden wij met de overtuiging, niet zoo heel veel verder te kunnen komen, zoolang wij niet, zuiver psychologisch, de vraag gesteld hebben, wat er eigenlijk omgaat in de ziel van den mensch, die van zonde en de daaraan verwante begrippen, spreekt. " Anders gevraagd: welke zijn de gemoedsroerselen, die achter alle dogmatische inkleeding en verwerking liggen en die een mensch doen zeggen: ik heb gezondigd, of: ik, zondaar voor God ? Het is van het hoogste gewicht, dat deze vraag niet over het hoofd wordt gezien, dat, gelijk Kaftan opmerkt, ook in de dogmatiek de samenhang van de Christelijke zonde-kennis met het persoonlijke leven nadrukkelijk uitgesproken wordt. Anders dreigt het gevaar in theorieën over de zonde te blijven steken. En Kaftan heeft volkomen gelijk: „Was Werth hat, ist allein die innere Unterwerfung unter die bestimmten Gebote des göttlichen Willens und die daraus entspringende wortlose, bittere Selbst ver urtheilung". 1).

Zondebesef en zondebewustzijn zijn woorden, die meestal door en voor elkaar worden gebruikt. Toch zou hier misverstand kunnen ontstaan, en het lijkt mij beter beide woorden uit elkaar te houden. Onder zondebesef verstaan wij heel dat complex van belevingen, die door het feit der zonde kunnen worden gewekt, den geestelijken neerslag dus van dat geheimzinnig gebeuren, zoowel in 's menschen innerlijke zijn als in zijn naar buiten tredende woorden en daden, dat zonde wordt genoemd. Met de zonde zelf kan het zondebesef gepaard gaan en zich uiten in die veelheid en rijkdom van zonde- en schuldbelijdenissen, welke de religieuze en rehgieus-ChristeHjke literatuur bezit, maar het kan ook zijn, dat, ondanks het aanwezig zijn van de zonde of zonden, het zondebesef, de bewustwording hiervan, weinig of in het geheel niet reageert: ja, vaak geldt het van een mensch of een tijd: hoe méér zonden, des te minder zondebesef! Door allerlei factoren kan in een bepaald tijdsgewricht het zondebesef aanmerkelijk verzwakken en afnemen (zie vorig hoofdst.), terwijl toch geenszins van zulk een tijd zou kunnen worden gezegd zonder zonde voor God te staan.

Nu kan men voor het in dezen zin gebruikte woorde zondebesef ook het woord zondebewustzijn gebruiken, wat dan ook meestal gebeurt. Maar zondebewustzijn kan ook nog een anderen zin hebben: niet: het bewustzijn van zonde, maar: zonde als bewustzijns-gebeuren, als immanenten bewustzijnsinhoud (in tegenstelling dus tot zonde als

l) J. Kaftan, Dogmatik, S. 337.

Sluiten