Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gesinnung über die nicht naturhaft bestimmte Liebesgesinnung, oder, religiös ausgedrückt, mit den Worten eines modernen Theologen, ....

„die Abkehr von Gott", d.h die Betatigung des Naturtriebs in der

dem göttlichen Liebeswillen entgegengesetzten Richtung"1). Nu nog daargelaten de vraag of Ziller in dit citaat de genoemde „woorden van een modernen theoloog" goed vertaalt, wanneer hij van „Betatigung des Naturtriebs" spreekt, zegt deze aanhaling duidelijk genoeg, hoe in dit geheel van gedachten, in dit kader van immanentie enethischidealisme, de zonde geheel en al gesubjectiveerd moet worden, tot een lagere gezindheid wordt, die als „Gesinnung der Lieblosigkeit" tegenover een hoogere („Gesinnung der Liebe, d.h. Liebe Gottes") staat. Binnen het raam van het menschelijke speelt alles zich af, „vom Tiermenschlichen zum Gottmenschlichen"2) zou de titel van dit boek kunnen zyn, zonde is niets anders dan zonde-bewustzijn.

Dat dit niet zoo is, spreken we nog eens nadrukkelijk uit. Wat we missen, zoowel in Cannegieter's boek als in Ziller s studie, dat is juist het besef van Gods transcendentie, Gods „heiligheid . Ziller blijkt alleen de ruimtelijke transcendentie te kennen; de „inhaltliche" transcendentie, gelijk Steinmann haar noemde en die hij karakteriseerde als „die Stimmung einer absoluten Erhabenheit des göttlichen Daseins und Wesens über alles Weltliche" »), kent hij met. Had Ziller Gods Liefde in dezen zin transcendent leeren verstaan, als heilige Liefde dus, hij zou ook het wezen der zonde dieper hebben gepeild en verder zijn gekomen dan te zeggen: zonde = zondebewustzijn = heerschappij van onze natuurlijke, zelfzuchtige gezindheid over de liefdesgezindheid! — De zonde zelve mag niet met zonde-bewustzijn worden gelijkgesteld. Zij werkt in den mensch, maar heeft haar wortels en grond in wat meer is dan de mensch. Zij is ens -positivum, macht in leven en wereld, in haar oorsprong ondoorgrondelijk, in haar wezen irrationeel. Hebben de beste Christenen aller tijden van deze zonde als transsubjectieve macht niet geweten, is het geloof in den duivel, in den booze daarvan niet het sprekende bewijs ? Tegenover den transcendenten God, Die wel in wereld en mensch werkt, maar toch ook boven beide uitgaat, d.w.z. méér is dan beide, verheft zich de zonde, als tegenmacht, in 's menschen bewustzijn werkende, maar in wezen aan het bewustzijn transcendent. C a n n e g i e t e r, Z i 11 e r, het eene niet ziende, zien ook het andere niet, doen daarom te kort aan het wezen van God en de zonde beide. — ..

Wij doen dus goed om de woorden zondebesef en zonde-bewustztjn niet voor elkaar te gebruiken, daar we met het eerste niets anders dan ervaring van zonde bedoelen, en onder het tweede verstaan: zonde als bewustzijns- (en niet anders dan bewustzijns-) inhoud, en dit iets geheel anders is. , .

Ons hoofdstuk zal zich dus uitsluitend met het zondebesef bezighouden en de factoren trachten na te sporen, die hier van gewicht zijn.—

x) Ibid., S. 66. *) Ibid., S. 104.

*) Th. Steinmann, die Frage nach Gott, S. 168.

Sluiten