Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan zijn tegenpool ... „there is no doubt that healthy-mindedness is inadequate as a philosophical doctrine, because the evil facts ... are a genuine portion of reality; and they may after all be the best key to life's significance, and possibly the only openers of our eyes to the deepest levels of truth" % Daarom zijn de diepste religies die, waarin de pessimistische elementen het sterkst ontwikkeld zijn, Boeddhisme en Christendom, de verlossingsgodsdiensten. „The man must die to an unreal life bef ore he can born into the real life" *).

Gelijk gezegd, brengt James beide typen tot een questie van temperament en karakter terug. Hij spreekt van een psychischen drempel en is van meening, dat de religie aan deze zijde van deze „pain-threshold, fear-threshold, misery-threshold" s) een heel anderen vorm moet aannemen dan aan de andere zijde. Van „a certain discordancy or heterogeneity in the native temperament of the subject, an uncompletely unified moral and intellectual constitution" 4) gewaagt hij als psychologische oorzaak van het „sick-soul" type. Dit kan dan leiden tot de, vaak zeer smartelijke, ervaringen van het dubbel-ik, waarvan ook Paulus wist (Rom. 7). Ook aan rasverschillen denkt de schrijver: het latijnsche ras spreekt meer van zonden, die te overwinnen en te elimineeren zijn, het germaansche van de zonde in het enkelvoud, „as of something ineradicably ingrained in our natur al subjectivity, and never to be removed by any superficial piecemeal operations" *).

Aldus James. Vóór hem had L e u b a ook reeds op beide typen opmerkzaam gemaakt, hun onderscheid echter uit de verschillende religieuze voorstellingen afgeleid «). Ook H ö f f d i n g bedoelde dezelfde typen met zijn verdeeling in disharmonischen en expansieven: „die Disharmonischen greifen im Gefühle des aktiven Widerstandes, der in ihrem Inneren dem Ideale geleistet wird, und der durch Kontrastwirkung sogar verstarkt wird.... zu juristischen Analogien: sie fühlen sich wie der Verbrecher vor dem Richter", en baseerde hun verschil op de emotioneele en volitioneele disposities '), wat mij juister en oorspronkelijker lijkt dan de voorstellingen, waarvan L e u b a spreekt. In S c h o 1 z' „Religionsphilosophie" treffen we de onderscheiding aan van identiteits- en distantiereligie, in wezen hetzelfde bedoelend als wat Leuba, Höffding en James meenen, een onderscheiding, ook bij hem teruggaande op den invloed van het temperament. Van de distantiereligie zegt hij: „es ist die Religion, in der das Kreaturgefühl vorherrscht.... das eigentümlich bedeutsame Gefühl des Staub- und Ascheseins..., die Welt.... kann als das Reich der Sünde empfunden werden, als Vorstufe der Hölle und Ausgeburt des Teufels" •).

*) Ibid., p. 163.

>) Ibid., p. 165.

») Ibid., p. 135.

4) Ibid., p. 167.

*) Ibid., p. 134. . ,

6) Leuba, a Study in the Psychology of religious phenomena (Am. Journal of Psych., VII, 333).

') H. Höffding, Religionsphilosophie, 1901, S. 254 u. f.

*) H. Scholz, Religionsphilosophie, 1921, S. 288, 291.

Sluiten