Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is de mensch, wiens zondebesef heel sterk kan zijn. Dat zondebesef neemt vaak twee vormen aan: er kan de onuitroeibare waan leven in het hart van den Hjder eeuwig verloren te zijn, en het martelende besef de rustelooze zelfaanklacht de zonde tegen den heiligen Geest begaan te hebben. Dit zondebesef vervolgt den melancholicus bij dag en nacht h« is er door bezeten en zijn zelfverwijten stijgen vaak tot de allerhoogste' hoogten. Religieuze, maar ook niet-religieuze menschen—zegt S ch o u — schijnen geneigd te zijn om zich zelf tegenover God aan te klagen wanneer de golven van de zwaarmoedigheid over hunne ziel gaan1)' Hieruit èn uit het feit, dat heel vaak, na genezing der melancholie, allé zondebesef verdwenen of althans tot zeer gematigde proporties teruggebracht is, zou misschien wel op te maken zijn, dat hier ziekte-invloed merkbaar is. In de melancholie als zielsziekte voelt „een ziel zich geplaatst tegenover Gods Heiligheid" en „met eenzijdige accentuatie mit een der elementen uit het creatuurgevoel" zegt Dr. Hutter•) En inderdaad: wie B u n y a n ' s autobiographie, waarover wij boven reeds spraken, ter hand neemt, die moet toegeven, dat hier óók het type van den melancholicus spreekt, in wien zonder twijfel dat «éne element 1 creatuurgevoel, het besef van kleinheid en verworpenheid tegenover het „Sanctum", alle andere elementen heeft verdrongen: „butmv ongmal and mward pollution, that was my plague and my affiction.

a ? *?at'ulWaS m°fe Ioathsome ^ my own eyes than was a toad and I thought I was so in God's eyes too. Sin and corruption I said would as naturally bubble out of my heart as water would bubblé w!^^* <?uld have changed heart with anybody. I thought none but the Devil himself could equeal me for inward wickedness and pollution of mmd. Sure, thought I, I am forsaken of God: and thus i continued a long whüe, even for some years together" ») —

een ootlS T ^f*" künnen niet'laten ook

een oogenblik de fsychanalyse ter sprake te brengen. Het kan immers met worden ontkend, dat zij in de hedendaagsche psychiatrie eendeer belangrijke plaats inneemt en van groote beteekenis is gebleken te ziin a u ™°S de practijk der neurosenbehandeling. Indien ergens'

dan hebben wij hier ons aan ons eigenlijke onderwerp en de bedoeling

Ineen S dST^Ï rT^ haam' de P^analyse heeft zich niet zir,lm,,> k ^e?!ujk ™g korten ü>d Tan naar ontwikkeling ïrh^! gebreid'dathetnietmMrnoenHjk is, in kort bestek een over! zicht te geven van al hare bemoeiingen en resultaten, maar ook is zij zelf geen „emheithche" grootheid meer: al bKjft de band met den meester JLfc«U ' bestaan.' *°eh hebben zich, gelijk bekend, naast de Weensché richting andere richtingen en stroorningen gevormd, die zich om de namen Adler, Jung en Maeder bewegen. En ook in de eentwi« ? school zelf bestaat geen volstrekte eenstemmigheid:

rede van Fr *n a V ! * !* ' *** 6611 ^ b°eken tc1 ™* ~" vooSl rede van F r e u d uit, maar neemt toch de vrijheid in allerlei opzichten Van dlens ^en af te wijken. Daarop, ook maar bij benadering, Yn £ ') Ibid., blz. 30.

') „Predikant en Dokter", I, i, blz. 25. ) Verg. James, gec w., p. 158.

Sluiten