Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaan, zou ons te lang bezighouden en op niet te rechtvaardigen wijze van ons onderwerp afvoeren. De vraag, waarom het ons hier gaat, luidt enkel: welke houding wordt in het algemeen door de psychanalyse tegenover het zonde {schuld) besef ingenomen, hoe wordt het daar verklaard?

Aan het einde van dit hoofdstuk, nadat wij de (religieuze) kern van het zonde- en schuldbesef hebben vastgesteld en omschreven, zullen wij nog wel gelegenheid hebben deze geheele §, en dan ook de psychanalytische zondeverklaring (en daarachter: de psychanalytische beschouwingswijze in het algemeen) critisch te bezien.

Hoewel er, naar mij althans bekend is, in de psychanalytische literatuur maar weinig direct over het zonde- en schuldbesef geschreven is, is er toch wel op een en ander te wijzen, dat genoegzaam zien laat, in welke richting bij vele, zoo niet de meeste aanhangers, de gedachten gaan.

F r e u d ontwikkelde twee hoofdgedachten. De eene was die van het onderbewustzijn, dat reservoir is van al die aandriften, welke, om de een of andere reden den mensch onaangenaam of hinderlijk, uit het bewustzijn teruggedrongen worden, zich echter in het onderbewustzijn roeren blijven en onder allerlei vermommingen telkens in het bewuste leven van den mensch doorbreken (verdringing, symptoom, (dwang) neurose). De andere hoofdgedachte van den Weenachen hoogleeraar is die der sexualiteit geweest. Zij is de oerkracht des menschen, de diepste voedingsbodem aller neurose, de eigenlijke oorzaak van alle conflicten en disharmonieën in het gebied van het onderbewuste en daarom de vermomde kern van zoovele symptomen. Hoe F r e u d deze sexueele oerdrift reeds naar den aanvang van het .menschenleven, naar den kinderleeftijd terugbracht en het z.g. Oedipusconflict de diepste bron van psychische verwrongenheden Uit later leeftijd zijn deed, hoe hij anderzijds aan deze sexualiteit ook de mogelijkheid toeschreef, haar krachten in geestelijke „prestaties" om te zetten, te sublimeeren, zoodat al onze menschehjke gevoelsbetrekkingen als sympathie, vriendschap, vertrouwen etc, maar ook de door ons als zuiver-geestelijk opgevatte bewegingen van wetenschap, kunst en religie genetisch met deze sexualiteit verbonden zijn, dat alles moge hier enkel genoemd, niet in den breede beschreven worden.

Dat intusschen aan deze oerkracht des menschen, deze sexualiteit (die intusschen bij Fr e u d een veel meer omvattende beteekenis heeft gekregen dan het eigenlijk-gezegde sexueele, reden, waarom het beter is van Hbido te spreken, hoewel ook voor deze libido, deze „erweiterte Sexualitat" de band met het zinhelijk-sexueele kenmerkend blijft!), het ontstaan en vaak zoo hardnekkige bestaan van allerlei den mensch vervolgende, waarschuwende en straffende, symptomen zullen moeten worden toegeschreven, spreekt wel vanzelf. De machtige übido laat zich door de naast en tegenover haar optredende factoren (als schaamte, angst, eischen van opvoeding of beschaving) maar niet zonder meer overwinnen: zij wordt verdrongen, maar om in velerlei vorm in den patiënt voort te werken, zonder dat deze zich bewust is van de eigenlijke afkomst en verklaring dezer manifestaties. Taak van den psychanahst is het den neuroticus opheldering (en daardoor reeds aanvankelijke

Sluiten