Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gungslose Verfallenheit" tegenover objecten, die geslachtsloos kunnen zijn, de natuur, de plicht, een ideaal e.d. Het is deze eros, die eerst aan de sexualiteit haar zin geeft, in zooverre als de hartstochtelijke „Eroskrankheit" de sexueele energieën als psychophysisch substraat noodig heeft, waarop zij zich zelf verheffen kan. En nu tracht Achelis in zijn boek aan te toonen, aan de hand van de Confessiones, dat in Augustinus' bewogen leven een tragisch conflict tusschen dezen eros en deze sexualiteit bron is geweest van alle disharmoniën, spanningen en verscheurdheden, welke het leven van den kerkvorst voor den allerlangsten tijd tot zulk een zoekend en worstelend leven hebben gemaakt. Augustinus was, zooals Achelis aantoont, een natuur met sterke neiging tot inversie, homosexualiteit: verschillende bewijzen zijn daarvoor uit de Confessiones bijeen te brengen. Deze inversie, door het oordeel der wereld algemeen verworpen, kan echter ook draagster van den eros zijn en dan —> als vriendschap en trouw tegenover anderen van hetzelfde geslacht — iets zeer schoons wezen. Dit nu was Augustinus' conflict: de erotiek tegenover zijn vrienden kan niet volledig uitgroeien, omdat de geïnverteerde sexualiteit door hem verdrongen wordt (en zonder het substraat van sexualiteit kan de eros niet), anderzijds moet de sexueele verhouding tegenover een vrouw bij hem tot een verwrongen, ziekelijk iets ontaarden, omdat zijn eros zich alleen kan bedienen van de op hetzelfde geslacht gerichte sexualiteit. Zoo blijft er voor hem niets anders over dan alle sterke sexueele gevoelens in zichzelf te verdringen, wat een machtige, en zijn gansche persoon aantastende, neurose opriep, waarvan de Belijdenissen bij aandachtige lezing getuigenis afleggen. De groote rol, die de geslachtelijke dingen in dit boek spelen, maar meer nog: Augustinus' worsteling met het Manichaeïsme en de philosophie, spreken van deze neurose en van de poging om zich er van te bevrijden. Zoo is ook voor Achelis Augustinus een echt typus neuroticus, vol van dat zondebesef, dat dan ook alleen tegen dezen neurotischen achtergrond verklaard kan worden. „Im Verantwortlichsein des Sündbegriffs steekt auf einmal das Verantwortlichsein für Überwindung des „unzweckmaszigen" Kraftüberschusses der Sexualitat, besonders im Bereiche der Phantasie, und weil das unmöglich ist, die bohrende Angst, die Tantalusqualen, die sich für den Menschen reinen Willens hinter diesem Begriff verbergen, und die nur gemildert werden durch die erosgetragene Vorstellung von der verzeihenden Güte des Vaters".x) Ook voor Achelis, al tracht hij door zijn eros-idee de geesteswaarden meer tot hun recht te laten komen, gaat het zondebesef in laatste instantie op verdrongen sexualiteit terug, is „zonde" symptoom, „Ersatzvorstellung". Dat zonde als zoo iets ontzettends in de kerk en de prediking werd voorgesteld, wat ook in de waardeering der oude paradijsmythe tot uiting komt, wijst op een irrationeelen factor in dit oordeel. Deze factor is de omsluierde en verborgen, maar toch herkenbare sexualiteit. „Man spreche — zegt Achelis — sie (d.h. die Beschwörungsformel der Sünde) aus, und man wird auch noch heute alles umliegende

*) Ibid., S. 61.

Sluiten