Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet slechts in den ethischen zin, waarin het in de dogmatiek zoo vaak wordt gebezigd, maar als die menschenhouding, die tegenover de typischreligieuze houding staat, welke met het woord „deemoed" kan worden aangegeven. Wie zondigt, tast God aan, niet Gods Wet of Gods Wil, maar dieper nog: het Augustum, Gods Eer, Gods Majesteit: „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen U". Otto heeft deze religieuze analyse op allerlei wijzen nader verduidelijkt. In zijn opstel: „der Kampf des Fleisches wider den Geist" l) laat hij vanuit zijn onderzoekingen het licht vallen op Luther's zondeleer; hij laat zien, hoe de oude, bijbelsche begrippen vleesch en geest in den loop der tijden telkens met wisselenden inhoud gevuld worden, een inhoud, waarin een climax te bespeuren valt. Vleesch en geest kunnen tegenover elkaar staan als lagere tegenover hoogere natuur, als ikzucht tegenover socialen drang, als neiging tegenover zedelijke wet, maar ook — ten diepste — als zonde tegenover geloof. Dan zijn we bij de Paulinisch-reformatorische tegenstelling, waarbij het niet slechts gaat om een dualiteit in 's menschen zieleleven, evenmin om de gehoorzaamheid aan de wet, aan het „du solist", maar, dieper, om — eenerzijds — datgene, wat de wet ons nooit kan schenken, wijl het „reines Wiederfahrnis" is: geloof (in den zin van „Erregung und Leidenschaft, Begehren nach Leben, Gut und Seligkeit") en om — anderzijds — zonde (in den zin van „ermangeln des Göttlichen selbes", „Gott nicht haben und nicht haben mogen")1). Het is L u t h e r, die — aldus Otto — dezen diepsten zin van de oude tegenstelling „vleesch-geest" weer heeft ontdekt en dus ook de zonde in haar wezenlijke beteekenis heeft begrepen als „das Strauben gegen die überweltliche Gnade, gegen Heil und Seligkeit selber"3).

Nog nader ingaande op oud-Christelijk erfgoed wordt dit alles door Otto geïllustreerd t.o.v. de begrippen: erfzonde en oerval. Alleen wie het ideaal begrepen heeft—en dat ideaal is, dat een mensch uit het geloof leve, geloof opgevat als „adhaerere Deo" en „confidere Deo" —, kan verstaan, hoe de menschheidszonde is „Profanitat, Gott nicht haben,

Gottlosigkeit " *). Wat erfzonde is, is nooit door geschiedconstructies

te vinden, maar alleen door „tiefere religiöse Selbstaussage"5). J e s a j a 's bovenvermelde uitroep is de belijdenis van eigen profaniteit, waaraan zich tegelijkertijd het schuldbesef: „meaculpa" verbindt, en tevens is het een belijdenis, waarin de mensch zich in diepste wezen één met allen weet: „Gott f remde und Gott feind in unserer Kreatur- und Naturbestimmtheit als profane, unheilige und widerheilige sind wir, weil wir, und wir selber, wir aber, sofern wir Mensch sind, und also in uns die Menschheit, unsern Urstand verlassen haben, namlich die ursprüngliche Gerechtigkeit, die zunachst und rein das Gotthaben selber ist" *).

Aldus Otto. Het valt niet te ontkennen, dat door hem diep is gegraven. Waar kerkelijke dogmatiek vaak in louter zedelijke begrips-

»} Ibid., S. 187 u.f.

*) Ibid., S. 193, 194, 195.

») Ibid., S. 195.

«) Ibid., S. 208.

*) Ibid., S. 208.

*) Ibid., S. 211.

Sluiten