Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De tweede trek in het Godsbegrip is die der onkenbaarheid, ongrijpbaarheid: Deus absconditus. Ook hier Kierkegaard's invloedf Gehjk deze van God heeft gesproken als „das schlechthin Unbekannte" en „das pradicatlose Sein", zoo is ook voor de Zwitsers God's wezen donker en onvatbaar. „So sehr ist diese Welt Nicht-Ewigkeit, dasz von inr aus die Ewigkeit nur als das zu deuten ist, was diese Welt nicht ist"1) Wel spreekt Barth herhaaldelijk van Gods vrijsheid, genade en liefde, dus van zeer bepaaldelijk positieve eigenschappen Gods, maar B o h 1 i n 's opmerkmg, dat deze „inhaltiiche" uitspraken eigenlijk in strijd zijn met het Godsbegrip, gehjk het in zijn „absoluter Qualitatsunterschied" en „Negation jeglicher Form positiver Gotteserkenntnis" door de Zwitsers wordt geponeerd2), lijkt mij volkomen juist. Met het streng doorgevoerde metaphysische Godsbegrip — God = eeuwigheid, wereld = tijd— zijn zij niet te vereenigen.

Van hieruit zijn de zondebeschouwing en het zondebesef van Barth °i!LterSt0nd te beSriJPen- Hoewel in ondergeschikte punten van elkaar afwijkend, laten de Zwitsersche theologen hier toch één geluid hooren. Tallooze citaten uit den Rómerbrief en uit B r u n n e r ' s en Go? * e„n 'S Seschriften zouden hier te geven zijn, die alle, op eindeloos herhaalde wijze, hetzelfde zeggen. Waar God zóó is de Transcendente en m Zijn transcendentie de krisis van tijdelijkheid, wereld, cultuur en mensch, waar God zoo is de qualitatief-Andere-dan-de-tijd en in Hem het „neen" gaat over al het tijdelijke, daar kan het niet anders, of dat tijdelijke, menschehjke en wereldlijke als'zoodanig wordt met zonde geïdentificeerd. Het „zijn" des menschen zelf, het materieele en natuurlijke als zoodanig krijgt het zonde-stempel. Tegenover het metaphysisch gekleurde Godsbegrip komt het eveneens metaphysisch gekleurde zondebegnp te staan. „Sünde is das spezifische Gewicht der menschlichen Natur als solcher, ... der Fall, der mit seinem Leben als Mensch schon geschenen ist", „der Mensch in seiner Menschlichkeit, die als solche Beschranktheit, Endhchkeit, Kreatürlichkeit, Getrenntheit von Gott bedeutet , „der Mensch als solcher .... ist der existentiell gottlose Mensch '). Zoo spreekt ook Brunner van de zonde als een Beshmmtheit des Existenz, des menschlichen Seins" van „ein Wesénsbestand des Menschseins" «). Zij is naar haar wezen „Raub an Gott", die ons steeds weer aanschouwelijk wordt in die typisch-menschelijke overscluijding der tusschen God en mensch gestelde grenzen, in die karakteristieke vergoddelijking van den mensch en vermenschelijking Gods, zooals die in de religie haar pijnlijkste en bitterste manifestatie bezit, de religie, die, juist in haar zoeken en streven naar God en haar waan van Godservaringen, de zonde op haar culminatiepunt laat zien, waarom Barth dan ook schrijven kan: „Gerade der Mensch der das

barung, ^k;egaard' ^ W-, VI, 203, 294; Gogarten, von Glauben und Offen1926^ S TI8s)hlil,' LUther' KieTke£aald «nd die dialektische Theologie (Z. f. Th. K.,

i^RóSnSfr^' S' *** ^ 088 W°rt ^ Ld' Theolo«ie' s-16°;

') E. Brunner, der Mittler, S. 116, 121.

Sluiten