Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gesetz hat (sc. der Religion hat), der erweckte, der begeisterte, der wartende, der auf Gott gerichtete, der religiöse Mensch ist der Sünder im anschaulichsten Sinne des Wortes" en „der Sinn der Religion ist der Erweis der Macht, mit der die Sünde diesen Menschen in diese Welt beherrscht: auch der religiöse Mensch ist Sünder, gerade er, gerade er als solcher" 1). Maar deze aanschouwelijke zonde wijst terug naar de onaanschouwelijke zonde, die „ursprüngUch" en „ungeschichtlich" is „ein Herausfallen des Menschen aus seiner unmittelbaren Einheit mit Gott", den zondeval, niet als een gebeuren in den tijd, maar als een „hinter aller Zeitlichkeit" liggenden oerval'). Met dit zondebegrip wordt het schuldbegrip nauw verbonden: „eine Not — zegt Barth — die nur Schicksal ware und keine Anklage zuliesze, ware keine erkannte, keine brennende Not" en, wijder, kosmischer nog opgevat: „Schuld liegt vor, wenn das, was bei Gott mögUch ist, bei den Menschen unmöglich ist"8). Of het schuldbegrip eigenlijk wel te handhaven is, waar het zondebegrip een zoo uitgesproken existentieel karakter heeft gekregen, is een vraag, die we hier niet bespreken. Genoeg, dat bij Barth en de zijnen een zondebegrip wordt geteekend, dat, geheel in overeenstemming met het metaphysisch gekleurde Godsbegrip, met de woorden metaphysische existentialiteit kan worden omschreven en dat als schuld wordt opgevat: zonde = menschelijke existentie = schuld. Zondebesef is bij de Zwitsersche theologen dus te omschrijven als het besef als mensch onder het oordeel te staan, als mensch, in al zijn doen en laten, van zijn „Schlafbedürfnis" tot zijn religieus verlangen en streven toe, onder het goddelijke „Neen" te staan, dat is: stof enasch te zijn, te moeten zijn, zoolang men mensch, d.i. van-God-gescheidene is.

Nu is er echter terecht opmerkzaam op gemaakt, dat dit metaphysisch zondebegrip doorkruist wordt door een ander, waarin het accent meer op 's menschen geest en wil ligt1). Deze zondebeschouwing kwamen wij al tegen in de bovenvermelde Barthiaansche omschrijving: „Sunde ist Raub an Gott", maar het persoonlijke, voluntaristische element, dat hierin tot uiting komt, klinkt in meerdere uitspraken. Waar Barth spreekt van den „Sklavenauf stand des Menschen gegen Gott", van „die notwendige Bestimmung unseren Wissens und Wollens", welke daarom ook wordt tot persoonlijke schuld, last en verantwoordelijkheids), waar Gogarten gewaagt van de zonde „dasz wir den Menschen an Gottes Stelle setzen wollen"•) en Brunner zegt: „je mehr Geist, desto mehr Schuld und Not" of „Sünde im höchsten Masz setzt Bewustsein, Ichbewusztsein und Gottesbewusztsein im höchsten Masz voraus"7), daar kunnen wij inderdaad een ander zondebegrip opmerken, niet metaphysisch, maar ethisch-religieus van toon, niet op de

M Barth, Römerbrief, S. 152, 240. *) Ibid., S. 145, 146.

") Ibid., S. 346,347; ibid., S. 353- _ . .

*) Vergelijk hiervoor: Bohlin, gec. art. en W. Künneth, die Lehre von der Sünde, dargestellt an dem Verhaltnis der Lehre Sören Kierkegaards zur neuesten Theologie, 192?.

') Barth, Römerbrief, S. 228, 170,151, 152.

6) Gogarten, Von GL u. Offenb., S. 73.

T) Brunner, die Mystik und das Wort, S. 310, 237.

Sluiten