Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

existentie, maar op den wil der menschen betrekking hebbende. Ook dit zondebegrip kan op Kierkegaard's invloed teruggaan, daar wij bij hem in de omschrijving van de Godsidee naast de metaphysische elementen heel duidelijk de meer profetisch-bijbelsch-Reformatorische elementen aantreffen1): hebben de eerste zeker hun invloed uitgeoefend op de Gods- en dus ook op de zonde-idee der dialektische theologie, de laatstgenoemde elementen hebben evenmin nagelaten hun stempel te zetten op de gedachten van hen, die zich immers bij voorkeur de ware tolken der bijbelsch-Reformatorische ideeën achten te zijn. Zoo is er bij Kierkegaard, over wien hieronder nog meer, maar ook bij de Zwitsersche theologen, een heterogeen zondebegrip te onderkennen: het metaphysisch gekleurde, dat als tegenpool van het metaphysisch Godsbegrip tot stand komt, en het ethisch-religieus gekleurde, dat gekend wordt door de — zuiver Christelijk-reformatorische — confronteering van den mensch met de Godsopenbaring in Christus. Duidelijk wordt dit door een citaat van Brunner gezegd: „Der Mensch kann sich selbst gar nicht erkennen, weil er das Gewicht seiner Sünde nicht selbst zu heben vermag. Vermochten wie jenen Stein zu wagen, so vermochten

wir ihn auch zu heben. Erst dort erkennen wir uns darum selbst, wo

nicht von uns, aber vor uns jener Stein gehoben wird, und wir sehen, wie schwer er ist. Das ist das Kreuz des Christus. Dort erkennen wir, indem wir uns selbst sehen, wie wir wirklich sind, auch Gott, wie er wirklich ist. Und umgekehrt: weil wi$_dort erkennen, wie er wirklich ist, erkennen wir dort auch uns selbst"2).

Deze beide lijnen in het zondebegrip der Zwitsers loopen door elkander heen, gaan soms bijna onmerkbaar in elkaar over. In Brunn e r ' s „Mittler" zijn ze duidelijk ongescheiden-onderscheiden, b.v. waar hij zegt, dat de zonde „Widersetzlichkeit, Abkehr des Geschöpfs vom Schöpfer" is, maar als zoodanig toch ook het karakter van het gansche menschelijke zijn als zoodanig3). —

Toch lijkt het mij met te loochenen, dat het metaphysisch zondebegrip, zonde als existentieele God-gescheidenheid, veel meer inherent is aan het geheel van den dialektischen gedachtenbouw dan het ethischvoluntaristisch zondebegrip. Want, hoewel Barth c.s. er op staan, gelijk gezegd, de tolken der bijbelsch-Reformatorische gedachten te zijn, kan het niet ontkend worden, dat de metaphysische inslag in hun theologie, met name in hun Godsidee, overheerschend is. Deze is van invloed geweest op alle linies, die met deze hoofdlinie in verband staan. Dat heeft Barth gebracht tot uitspraken als: „Fleisch heiszt beziehungslose Relativitat, Nichtigkeit, Nonsens" en „der Mensch als solcherd.h. sein Denken, Wollen und Tun ist unqualifiziert weltlich, oder vielmehr höchst qualifiziert unheiUg und sündigder Mensch als solcher, der geradlinige, ungebrochene, zweibeinige, der durch keinen Kampf mit dem Argernis, lahm oder krüppel oder einaugig gewordene

') Verg. Bohlin en Künneth, gec. w.

2) Brunner, Reformation und Romantik, S. 18.

8) Brunner, Mittler, S. 119, verg. ook S. 116 „Sünde ist nicht nur eine

Bestimmtheit des Willens ebensosehr eine Bestimmtheit der Existenz, des

menschlichen Seins, wie es jetzt ist, der menschlichen Natur".

Sluiten