Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

und die andere als religiöse Erfahrungslinie bezeichnet werden kann,

verfolgen wenn Kierkegaard onmittelbaar aus der^ Tief e

seiner persönlichen Gotteserfahrung spricht, so ist sein Gottesbild nicht mehr von einem abstrakten Absolutheitszuge gestempelt, sondern von der Gewiszheit von Gottes unveranderlicher Liebe"1). Men leze—om deze persoonHjk-reUgieuzeervaringslijnbij Kierkegaard te ontdekken — b.v. eens die passage uit „Krankheit zum Tode", waar gezegd wordt, dat het unieke van het Christendom is, dat de mensch, de mdividueele mensch, of hij man, vrouw, dienstbode, koopman, barbier of student is, voor God staat, elk oogenblik, wanneer hij wil, met God mag spreken en er zeker van kan zijn door God gehoord te worden, „kurz, diesem Menschen wird angeboten, mit Gott auf dem vertrautesten Fusze zu leben ). Hier is de metaphysische gedachtengang geheel doorbroken door een Cbristehjk-reformatorisch-religieuzen. In het verband dezer gedachten krijgt dan ook de zonde een veel sterker persoonlijk-religieus karakter: zij verliest haar metaphysisch, en ontvangt een voluntaristisch stempel, zij houdt öp met eindigheid qua talis geïdentificeerd te worden, zij wordt wilsdaad, daad van *s menschen eigen, vrije, innigste persoonlijkheid,die zich stelt tegenover Gods heiligen Liefdewil, menschenwil tegenover Goddelijken Wil, zooals de Reformatoren haar ook hebben bepaald. Een definitie der zonde, zegt Kierkegaard dan ook, kan met „geestelijk genoeg zijn, „denn Sünde ist nicht die Wudheit des Fleisches und Blutes, sondern die Zustimmung des Geistes dazu •). Speciaal tegenover Socrates' omschrijving van zonde alsonwetendhéid heeft Kierkegaard gelegenheid zijn eigen, diepere, Christelijke gedachten te plaatsen. Aan deze Socratische definitie immers — zoo meent hij — ontbreekt het belangrijkste, „der Wille, der Trotz; . S o c r a t e s' fout ligt hierin, dat bij hem ontbreekt „eine dialektiscne Bestimmung des Überganges vom Verstandenhaben zum Tun bei diesem Obergange fangt das Christliche an, zeigt beim Betreten dieses Weges, dasz die Sünde im Willen liegt, und kommt zum Begnff des Trotzes"1). De zonde is psychologisch nooit geheel te verstaan, zij komt met een „sprong" te voorschijn (zie boven blz. 69), maar de mogelijkheid van dezen sprongis enkel en alleen gegeven met het „geest en wil"-zijn des menschen. Daarom zegt hij scherp: „das Leben der meisten Menschen ist .... fast zu gdistlos um Sünde genannt zu werden"8). Haar diepte ontvangt de zonde, doordat zij altijd zonde voor God is: „jede Sünde geschieht vor Gott was die menschhche Schuld eigentlich zur Sünde macht, ist, dasz der Schuldige das Bewusztsein hat, dasz er sich vor Gott befindet ...."; daarom is niet de deugd de tegenstelling tot de zonde, maar het geloof. Haar tegenstelhng kan alleen deugd worden genoemd door wie zich met menschehjken maatstaf vergenoegt: wie zonde kent als zonde voor God, weet, dat haar

M Bohlin, gec. w., S. 178, I79- „ o

») Kierkegaard, Ges. W., VIII, S. 82.

») Ibid., S. 79.

«) Ibid., S. 87, 90

5) Ibid., S. 99-

Sluiten