Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegenstelling enkel het geloof kan zijn1). Geen wonder, dat Kierkegaard zich even beslist als tegen „Socrates" ook tegen „H e g e 1" wendt, d.w.z. tegen de negatieve zondebepaling. Dit blijft voor hem het juiste aan de orthodoxie, dat zij begrepen heef t, dat heel het Christendom „haltungslos" is, wanneer de zonde als negatie wordt opgevat, gelijk de speculatieve theologie, Kierkegaard's aartsvijandin, meent. „Ich halte bestandig nur an dem Christlichen fest, dasz die Sünde eine Position ist, doch nicht, alsob sich das begreifen liesze, sondern als einem Paradox, das geglaubt werden musz" 8). — Naar haar inhoud definieert Kierkegaard nu de zonde nog nader als „Verzweiflung", als „Krankheit zum Tode", waaraan intusschen het schuldkarakter onlosmakelijk is verbonden: deze „Verzweiflung" wordt

op verschillende wijzen geanalyseerd. Zij is een ziekte van den geest

wil men van vertwijfeling spreken, dan moet men den mensch onder de categorie „geest" beschouwen! — en kan een drievoudig karakter hebben: zij kan onbewust blijven, maar ook in het bewustzijn zich roeren, en wel als „Schwachheitsverzweiflung" en als „Trotz". In de laatste onder* scheiding vinden we het eigenlijke wezen der zonde, want hier, in den trots, is de vertwijfeling zich bewust een daad te zijn, die niet van buiten maar direct vanuit 's menschen eigen zelf komt: het is de daad, waarbij de mensch, zich bewust geworden van een oneindig „Zelf", dit Zelf" losmaakt van de Macht, die het in het aanzijn riep, om het tot een „zelf" te maken, waarover hij alleen en onbeperkt heerscher is, „d.h. er

m ihm gegebenen Selbst nicht seine Aufgabe sehen, er wil!

es vermöge der unendlichen Form, die er ist, selbst konstruieren"»). Dat deze vertwijfeling, deze trots, „vóór God" is, dat geeft aan de zonde haar huiveringwekkenden ernst. —

Welk zondebesef vinden wij nu hier, bij Kierkegaard? De z.g. religieuze ervaringslijn als de hoofdlijn in zijn beschouwingen aanvaardende, kunnen wij zeggen bij Kierkegaard een zondebesef te vinden, dat omschreven kan worden als besef van wils-opstandigheid tegen God, van rebellie van 's menschen persoonlijkheid tegen Gods Persoonlijkheid, een opstandigheid en rebellie, welke, in vrijheid begaan, als schuld worden ervaren. Zondebesef is bij Kierkegaard het oordeel over 'smenschen boozen teil, die eigen zelf van God losscheurt en verabsoluteert („die Verzweiflung verzweifelt man selbst sein zu wollen").

4e. Samenvatting en Beoordeeling.

Wij zagen: i° de godsdienstpsychologische analyse van Otto teekent het zondebesef als Profaniteitsbesef, 20 de theologische beschouwingen der Zwitsersche theologen verhullen een zondebesef, dat eveneens als absoluut profaniteits- en verwerpelijkheidsbesef kan worden gekarakteriseerd, en3°in Kierkegaard's uiteenzettingen komt een zondebesef voor den dag, dat als besef van wils-opstandigheid het best omschreven kan worden.

Hun waardevolle beteekenis hebben deze besproken beschouwingen

l) Ibid., S. 76 u.f. *) Ibid., S. 95. ") Ibid.. S. 66.

Sluiten