Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

▼an Otto, de Zwitsers en Kierkegaard in twee opzichten. Allereerst worden de zondeleer en het zondebesef, bij hen tot uiting komend, gekenmerkt door grooten ernst. Tegenover het Mysterium tremendum, tegenover het Sanctum et Augustum, weet de mensch zich zondig, niet slechts nu en dan of in op zichzelfstaande woorden of daden, maar in zijn gansche mensch-zijn, dat „superbia" is, onwaardige creatuurlij kheid tegenover den Heilige. (Otto). En tegenover den God, Die de Gansch-Andere, de Qualitatief-Andere-danwereld-en-mensch is, moet wel al het menschelijke en tijdelijke „vleesch, nietigheid, zonde" zijn, zonde, welke niet slechts een bepaalde „Schicht" in den mensch heeft aangetast, maar, integendeel, den geheelen mensch als zoodanig, van zijn laagste neigingen tot zijn hoogste strevingen toe, verwerpelijk maakt, staande onder het radicale, absolute oordeel. (Barth). En, opnieuw, tegenover God krijgt ook voor Kierkegaard de zonde eerst haar zondekarakter, wordt zij „Krankheit zum Tode", die de vromen omspint als een net, niet slechts ondeugd maar ongeloof, dat den mensch in den mensch aantast en hem losscheurt van zijn Grond. — Naast den ernst, waarmede in de besproken beschouwingen over de zonde uitspraak wordt gedaan, treft ook het feit dat èn bij Otto èn bij de Zwitsers èn tij Kierkegaard de zonde haar eigen domein heeft. D.w.z. zonde is nog gansch iets anders dan zedelijke fout, slechtheid of onvolkomenheid, zij ligt veel dieper en heeft betrekking op het mensch-zijn qua talis (bij Otto religieus, bij B a r t h c.s. metaphysisch uitgewerkt!); noch de natuurlijke, noch de louter zedelijke mensch zullen haar verstaan. Hetzelfde bij Kierkegaard, die bij voorkeur zijn front opstelt tegen de Socratische formule (zonde als onwetendheid) eener-, en de Hegelsche beschouwing (zonde als negatie) anderzijds, en aan de zonde een eigen plaats verzekert, door haar rebellie van den menschengeest, trots van den menschenwil te laten zijn en in haar „sprong" karakter nimmer te verklaren of te begrijpen.

Sterk staan de drie genoemde en besproken zondebeschouwingen — hoe verschillend onderling hun uitgangspunten en methoden mogen zijn! — in hun afweer van alle pelagianisme, moralisme en rationalisme: tegenover alle pelagianisme, dat de zonde „atomisiert", in op zichzelf staande handelingen laat bestaan, wordt hier de „Totalitatsbestimmung" der zonde geaccentueerd; tegenover het moralisme, dat de diepte der zonde in ethische categoriën vervlakt en haar wezen als (zedelijk bedoelde) zelfzucht of zinnelijkheid of wereldliefde opvat, wordt hier een dieper liggende grond aangeboord, 't zij die in het religieuze (Otto, Kierkegaard) 't zij in het metaphysische (Barth) wordt gevonden; en — niet het minst — tegenover het rationalisme, dat de zonde als een „begrijpelijken" factor in het wereldgebeuren tracht op te nemen, wordt hier het mysterie der zonde gehandhaafd (bij Otto blijft 's menschen creatuurbesef tegenover het Mysterium zelf mysterie; bij Barth cs. wordt het zonde-mysterie gaarne met de raadselwoorden oerval en erfzonde geteekend; en bij Kierkegaard blijft de zonde ten diepste irrationeele sprong). — En juist dit anti-pelagianisme,dit anti-moralisme en anti-rationalisme, juist deze ernst en dit karakter

Sluiten