Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sui generis zijn naar onze overtuiging in het Christelijk zondebegrip onvervreemdbare elementen.

Intusschen kan een enkele critische opmerking hier toch ook worden gemaakt. Karakteristiek voor het Christelijk zondebesef is, dat daarmee het schuldbesef steeds is verbonden. Zonde is in het Christendom tevens schuld. Wij kunnen dat hier reeds constateeren, denkend aan ons historisch overzicht, met name aan de daar gegeven Reformatorische uitspraken, zonder op het schuldbegrip nader in te gaan. Waar Christelijk zondebesef zich roerde, daar leefde tevens schuldbesef, verantwoordelijkheidsbesef, dat zich niet Met wegredeneeren: mea culpa, mea maxima culpa! En nu is het niet te ontkennen, dat dit schuldbesef, in den zin van verantwoordelijkheidsbesef, op vrijheid terugwijzende, èn bij Otto èn bij de Z w i t s e r s in de knel komt, daar èn het religieuze prof aniteitsbesef bij den een èn het metaphysisch prof aniteitsbesef bij de anderen dit schuld-ervaren eigenlijk niet toelaat. Otto poneert: „dieser Zustand der Sünde ist zunachst einfach eine Naturgegebenheit, die an dem Menschen haftet sofern er da ist. Für das erweckte religiöse Gewissen aber ist nun dieser Zustand indertat nicht einfach Verhangnis, nicht einfach beklagenswerte Tatsache, sondern ist Schuld"1), Barth zegt: „eine Not, die nur Schicksal ware und keine Anklage zuliesz, ware keine erkannte, keine brennende Not ... wie sollte dieses Gottsein Gottes dem Menschen Not bereiten anders denn durch menschliche Schuld?"»), maar de vraag kan worden gesteld, hoe met de creatuurhjkheid als „Naturgegebenheit", als „Schicksal", als „existentialiteit", het persoonlijke verantwoordelijkheidselement der schuld kan worden gerijmd. Zeker is de uitspraak „zonde is schuld" een Christelijk-reformatorische, en kunnen we begrijpen, dat daarom de Zwitsersche theologie deze identificatie niet los zal laten, maar toch blijft hier een pra^n «fr AUo : met het religieus, of metaphysisch gekleurde profaniteitsbesef, dat betrekking heeft op 's menschen existentie, is het persoonlijke schuldkarakter niet te rijmen. Barth ontkomt niet aan deze moeilijkheid, door, gehjk reeds boven (blz. 98) werd opgemerkt, elders in zijn boek een meer kosmisch schuldbesef te poneeren („denn Schuld liegt vor, wenn das, was bei Gott möglich ist, bei den Menschen unmöglich ist , Römerbr. 353), want het is de vraag, of hier nog van schuld in den eigenlijken zin kan worden gesproken. Zoo blijft het er Wj: het schuldkarakter komt niet tot zijn recht, of — beter gezegd — vindt niet goed zijn plaats, bij Otto niet en bij Barth nog minder. —

Bovendien — maar deze bezwaren gelden de dialektische theologie alleen — ontvangt het zondebegrip bij Barth c.s. door zijn sterk metaphysischen inslag een zeer abstract en leeg karakter. Wat Althaus ergens opmerkt van het Godsbegrip der Zwitsers: er ontbreekt „ein inhaltvoller Gedanke der Liebe Gottes"11), dat geldt mut. mut. ook van het zondebegrip: de mensch is zondig, d.w.z. zijn gansche zijn staat onder het goddelijke „neen", is niet anders dan „Fleisch, Nichtigkeit, Nonsens", maar de religieus-zedelijke inhoud dezer

x) Otto, Aufsatze, S. 208.

*) Barth, Römerbrief, S. 346,347.

*) Althaus, Theologie und Geschichte (Z. Syst. Th., I, 4).

Sluiten