Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Onaardsche, oneindig meer dan immanent en subjectief zielsgebeuren, staat de zonde, eveneens als het transsubjectieve Mysterie, wel werkende en woelende in den mensch, maar met „liefdeloosheid", „zinnehjkheid", „egoisme" zonder meer niet gehjk te stellen. Zoowel in Cannegieter's als in Ziller's boek blijft „zonde" zich bewegen binnen het schema, dat door Otto in zijn reeds genoemde studie „Fleisch und Geist" wordt geteekend, wanneer hij laat zien, hoe de oude tegenstelling van vleesch en geest meestal de tegenstelling is van lagere contra hoogere natuur, hetzij dat die lagere natuur als zinnehjkheid, concupiscentia en de hoogere als zelfbeheersching, zieleleven, humaniteit, idealisme, wordt opgevat, hetzij dat zij als ikzucht en sociale drang, egoïsme en altruïsme tegenover elkander staan: maar in beide gevallen is, wat Otto noemt, „die Halbierung des menschlichen Wesens in sich entgegengesetzte Teile" karakteristiek. Bepaalde deelen van het menschelijk zijn zijn „vleesch", zonde; andere deelen „geest", het Goddelijke, God.

Maar in het Christendom is het transcendente, het numineuze element in „God" het wezenlijke: wie dat uitsnijdt houdt een „God" over, die in de menschenziel werkt en ... besloten blijft, een godsdienst, die zieleleven is en niets meer dan dat, een zondebegrip, dat aan de „Christelijke diepte" niet toekomt, en een zondebesef, waarop inderdaad Anselmus' woord van toepassing is: nondum considerasti quanti ponder is sit peccatum I

ad 2°. Zonde iets anders dan een ethisch phenomeen, zondebesef iets anders dan het besef van „het booze". — Onder de nieuwere philosophen is er geen, die zich zoo positief over het kwade heeft uitgelaten als Kant. In een tijd, dat het Rousseau'sche „de mensch is goed" nog zeer sterken weerklank vond, heeft hij zijn woord van „das radicale Böse" uitgesproken. Kant erkende een „Hang zum Bösen" in de menschehjke natuur, waarvan de oorzaak noch in de zinnehjkheid, noch in den absoluut-boozen wil te zoeken is: in het eerste geval zou de mensch tot dier, in het tweede geval tot duivel worden, maar die haar grond vindt in het feit, „dasz er (der Mensch) die sittliche Ordnung der Triebfedern, in der Auf nehmung derselben in seine Maximen, umkehrt: das moralische Gesetz zwar neben dem der Selbstliebe in dieselbe aufnimmt; da er aber inne wird, dasz eines neben dem anderen nicht bestehen kann, sondern eines dem anderen, als seiner obersten Bedingung untergeordnet werden müsse, er die Triebfedern der Selbstliebe und ihrer Neigungen zur Bedingung der Befolgung des moralischen Gesetzes macht." *) Radicaal noemde hij deze hang, deze neiging, omdat zij den grond van alle menschehjke „maximen" verderft en door geen menschehjke krachten te delgen is, zij wijst op een innerlijke „Verkehrtheit des Herzens", waarvoor de mensch zich nooit kan verontschuldigen, als ware zij een met zijn natuur gegeven feit, die hij, integendeel, weet als „angeborne Schuld". Een verklaring van dit „radicaal-booze" in den mensch te geven, is onmogelijk: het moet terug gaan op een daad, een „val" uit het intelligibele rijk der vrijheid, aan alle ervaring voorafgaand.

*) Kant, die Religion (Reclam), S. 36, 37.

Sluiten