Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit alles is als een philosophische inkleeding van diep-Christelijke waarheid. Toch missen wij ook hier het wezenlijke. De Christen kent niet slechts het booze, hij kent den booze, d.i. de zonde als een zeer persoonlijke, anti-goddelijke macht, als een zeer persoonlijke rebellie van zijn boozen, duivelschen wil tegen Gods heiligen Liefdewil. Kant kan niet verder komen dan tot het booze, onpersoonlijk opgevat, omdat hij den empirischen mensch stelt tegenover een onpersoonlijke zedewet: tegenover de ethische wet in haar onpersoonlijk karakter staat het kwade eveneens als iets onpersoonlijks. Wij zijn bier in de sfeer van de derde der vier door Otto geanalyseerde tegenstellingen van „vleesch" en „geest": „geest" is hier het heilige „du solist", de heilige zedewet, die met gebiedende macht tot ons leven komt, „vleesch" het gansche beheerscht worden door de „neigingen". Maar hoe waarachtig deze tegenstelling ook moge zijn, hoezeer de Christen haar ook kent in zijn leven, zij is nog niet gekomen tot de diepte en scherpte, die voor hem de tegenstelling „God" en „de zonde" bezit. Dat „God" niet met bet „du solist", zelfs niet met het heiligste „du solist" gelijkgesteld kan worden, dat „God" voor den Christen nog iets anders en iets méér is dan „heilige zedewet", alweer heeft Otto het ons doen gevoelen. Het is juist het „Mysterium" en het persoonlijke, dat de Christelijke Godsbeschouwing aan de sfeer van het ethische, van het „Sittengesetz" onttrekt: staande tegenover dezen „God" weet de Christen zijn zonde dan ook als iets anders en diepers nog dan als tegenstand tegen de Wet, hij weet haar als tegenstand, als „zonde" tegen „Hem"! —

ad 3°. Zonde is iets anders dan „zonden", zondebesef heeft niet slechts betrekking op de „peccata actualia". Overbodig, hier nog lang bij stil te staan. Staande tegenover God weet de mensch zich zondig, niet slechts in zijn daden of woorden, maar in zijn menschzijn, dat achter woord en daad verborgen ligt. Niet dat wij zoo deden is onze zonde allermeest, maar dat we zóó zijn. Het is ons innerlijk wezen, dat een aanklacht tegen ons verheft. Tegenover God, Die de vraag stelt: Mijn zoon, geef mij Uw hart, (Spr. 23: 26) krimpt ons hart ineen: wij gaan weten dat hier, in ons hart, méér dan in daden of woorden, die naar buiten treden, onze eigenlijke zonde ligt. „Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult niet doodslaan .... maar Ik zeg U, dat ieder, die op zijn broeder toornig wordt, een vonnis heeft verdiend..." (Matth. 5:21, 22). Wie zijn leven meet aan den norm der burgerlijke moraal, aan wat onder menschen geldt, kan hoogstens komen tot een zondebesef, dat dien naam niet verdient, omdat het slechts besef is van fouten en feilen, van tekortkomingen en onvolmaaktheden: aan de diepte van het oordeel van eigen zelfj dat zondig is, komt bij niet toe. Zondebesef in Christelijken zin, zondebesef, gewekt door den heiligen, oordeelenden God, Die de hartekenner is, verlaat de vlakte, waarop onze zonden zich bewegen naast onze deugden — en het een weegt tegen het andere op! — en komt tot het oordeel over de diepe verborgenheid van ons menschzijn: dit oordeel is absoluut. —

2°. De elementen van het Christelijk Zondebesef, Na deze opmerkingen vooraf, nu dan de vraag: wat is de inhoud van het Christelijk zondebesef, zooals dat zich aan den mensch opdringt, die

Sluiten