Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

streep door heel dat menschenleven heen, met alles wat wij, menschen, in dat leven waarde en onwaarde, grootheid en kleinheid, hoogte en laagte achten. Ik meen, dat in het zondebesef deze toon meeklinkt, duidelijk naar voren komend een enkele maal, meestal echter op den achtergrond der ziel bhjvend. Creatuurbesef kan stellig niet met zondebesef geïdentificeerd worden, de wezenlijk-bepalende momenten zijn met dit begrip nog niet genoemd, het kan los van het eigenlijke zondebesef zich aan ons opdringen, ja, in zijn onmachts- en kleinheidsen nietigheidsgevcelens in plaats van pijn zelfs vreugde, opgetogenheid, verrukking schenken aan den mensch, maar, waar zondebesef ontwaakt, zondebelijdenis zich uitspreekt voor God, daar klinkt toch steeds iets mee, wellicht meer onbewust dan bewust, van het: ik, stof en asch voor Uw aangezicht! Dit onloochenbare en diep-religieuze besef te hebben ontleed met zoo fijne pen, blijft 011 o ' s verdienste, het sterk geaccentueerd te hebben, één der waarden der Zwitsersche theologie, al is 011 o 's .ontleding — zooals we zagen — te eenzijdig en deze „Zwitsersche" accentueering in haar abstractmetaphysischen uitbouw te onvruchtbaar. —

Onmiddellijk met dit creatuurbesef verbonden, en daarvan eigenlijk niet los te maken, noemen wij het profaniteitsbesef. De transcendente God is de machtig-verhevene, en de machtig-verhevene is de Majesteit, het „Sanctum et Augustum", zooals Otto zegt. Van die majesteit Gods weet ik mijzelf niet slechts verre, daar tegenover besef ik niet slechts eigen nietigheid, maar, sterker nog, eigen profaniteit, eigen verwerpelijkheid. Het is het bewustzijn van „anderszijn", van „gescheidenheid", van „nietigheid", maar nu zijn deze gevoelens doordrenkt van dat karakteristieke „Abwertungsgefühl" (Otto): er is een zeer specifiek element bij gekomen, het element van de „nietswaardigheid", dat aan dat der „nietsheid" een eigen klemgeeft. Gods „heiligheid" — veel dieper reikend dan Zijn goedheid — maakt ons, ongereflecteerd, stil en klein, wijl wij ons tegenover deze heiligheid Gods menschen weten, d.w.z. schepselen, en wel schepselen uit een andere sfeer: „Ik ben een mensch van onreine lippen en woon temidden van een volk met onreine lippen". Wij veroordeelen ons zelf, ons „zijn": niet dit woord, dat wij spraken of die daad, die wij deden, maar ons mensch-zijn, dat, geplaatst voor Zijn majesteit, zich buigt ter aarde: Gij zijt de Heilige en wie, wat ben ik tegenover U ? Wij hebben in Hoofdst. I gezien, hoe van onze Reformatoren C a 1 v ij n bovenal dit creatuur- en profaniteitsbesef heeft gekend: met de „agnitio humilitatis" waarmee de mensch wordt „aangeraakt", als bij zich voor Gods majesteit heeft geplaatst, is toch wel niets anders dan dit „Abwertungsgefühl" bedoeld. En wie, uit onze vaderlandsche vroomheid, getuigenissen als van Lodensteyn of Schortinghuis beluistert, hoort daar, zij het in vorm en woord, die wij niet meer gebruiken, dezen zelfden klank: de verwerpelijkheid van 's menschen creatuurlijkheid tegenover Gods heiligheid en majesteit.

Maar waarom spreekt de mensch een verwerpelijkheids-oordeel over zijn leven uit? Omdat hij tegenover het „Sanctum" zijn „zelf, zijn menschelijk „zijn" onwaardig weet, bevlekt! Gaan wij nu nog dieper,

Sluiten