Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan weten wij, dat de verborgen drijfkracht van ons „aijn", van ons innerlijk wezen onze wil is, dan gaan wij Luther verstaan, die als het wezen van 's menschen zijn den ik-wil, den rusteloos zich-zelf-zoekenden en zich-zelf-handhavenden en zich-zelf-doorzettenden ikwil, heeft ontdekt. Wij spraken — aan de hand van K a r 1 H o 11 's uiteenzettingen — daar reeds over en hebben dit niet meer opnieuw te illustreeren. Maar het komt mij voor, dat Luther hier zeer diepe ervaringen weergeeft, ervaringen, die ons brengen naar het vierde en vijfde moment, dat wij wilden onderscheiden in het zondebesef: het besef, allereerst, van onze „eigenwilligheid", onze diep-verborgen, achter en in al onze woorden en daden werkende, ik-rebellie. Door dit element, èn door het hierna te noemen besef van daemonie, krijgt het creatuur- en profaniteitsbesef zijn heel persoonlijken inslag, wordt het, om zoo te zeggen, van de breedte, waarmee het zich betrok op heel 's menschen zijn, samengetrokken naar zijn eigenlijke kern: het besef van gedreven te worden door een boozen, aan God vijandelijken wil, die ingaat tegen God, zich afkeert van God. Deze ik-wil is ons wezen, ons wezen is deze ik-wil. Het Mysterium Tremendum, het Sanctum openbaart zich ons als de heilige God, Die met Zijn absoluten eisch tot ons komt, maar juist tegenover dezen alles, van ons eischenden, Goddelijken Wil ervaren wij diep in ons een donkere „superbia", een boozen drang des geestes, die revolteert tegen Gods gebod. „Res enim viva et quotidie movens est peccatum, sicut et ipsa anima in qua habitat ... Non enim quiescere potest anima quin vel amet vel odiat ea quae dei sunt"1). Niet slechts achter mijn naar buiten tredende daden van zinnelijkheid of zelfzucht, maar ook achter mijn hoogere en nobeler strevingen, achter mijn idealisme loert deze anti-goddelijke drift: aldoor-weer weet ik mij in haar greep en ban; wat groot en schoon Kjkt in het oog der menschen of voor het oordeel van mijn oppervlakkig ik, dat onthult zich, als ik mij van menschenoordeel aftrek en voor Gods absoluten eisch plaats, als verkapte eigen-wil, die opstaat tegen God. Daarom is de mensch boos „quod etiam opera ipsa bona injusta sunA et peccatum"*), omdat dit „malum furens et indomitum", dat met alle veredelings- en louteringspogingen spot en waartegen de strengste ascese niets vermag, de grond is van mijn menschenwezen, Het is, wat E c k h a r d t noemde, de „Eigenminne", waarop „alle Minne dieser Welt" gebouwd is, wat C a 1 v ij n bedoelde met zijn: „quantum in se erat, exaninivit dei gloriam" (zie Hoofdst. I). Ja, het is het besef Gods glorie, Gods heerlijkheid, moedwillig te vernietigen, moedwillig in te gaan tegen wat toch van den mensch gevraagd zou kunnen worden: lofzegging en dank, het is het Paulinische: „Hem niet als God eeren of danken" (Rom. 1:21), en, nogmaals, het Luthersche: „Sumusigitur per peccatum aversi a Deo, ita ut nihil de Deo recte sentiamus, sed simpliciter sentimus de ipso sicut de Idolo"3).

Maar nu ontvangt dit zondebesef, dit besef van in den greep van een opstandigen „Grundwille" te zijn, welke —zooals Luther zoo

l) Luther, W. A., 7,110,111.

*) Luther, Röm., 2, 123.

') Luther, W. A., 40 (2), 325.

Sluiten