Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

treffend uitdrukte — „incurvatus in se" is, nog zijn grootste scherpte, doordat die heilige Wil Gods, waarvoor de mensch zich plaatst en ontdekt weet, tevens Liefdewil, heilige, den mensch zoekende, roepende Liefdewil is. Tegenover deze Goddelijke Liefde, die wereld en mensch roept en tot hun heil wil voeren, krijgt het zondebesef een karakter, dat, duidelijker dan iets anders, wijst naar dat ondoorgrondelijk duister raadsel, dat zonde heet. Tegenover Gods Liefde ervaren wij de zonde als daemonie, als duivelschen haat. In zijn „Grenzen der Seele" spreekt E m i 1 L u c k a over het daemonische en den daemonischen mensch, dien hij schildert als den „grensmensch", in wien de „daemonische vrees voor het goede" leeft. Hij herinnert aan een woord van Kierkegaard, „het daemonische is de angst voor het goede". Angst voor het goede beheerscht den daemonischen mensch, hij wil en moet tegen het goede, tegen God opstaan, hij heeft één lust: het goede in de wereld te vernietigen, God te onttronen. Dit donkere, booze, duivelsche ik begeleidt den mensch, waar hij ook gaat en kan zich als zijn dubbelganger tegenover hem stellen, gelijk L u c k a aan de hand van de werken van Poe en Dostojewski laat zien. Van den eerste haalt hij dit woord aan: „voor menschen van een bepaalde constitutie wordt deze gronddrang („the imp of the perverse") bij vele gelegenheden ten eenenmale onweerstaanbaar. Ik ben van niets zekerder dan van de bewering, dat het booze, het zondige of gemeene in de een of andere daad dikwerf die onweerstaanbare macht is, die ons dwingt, eenvoudig weg dwingt, haar te begaan. En deze doellooze neiging, het slechte ter wille van het slechte te doen, spot met elke analyse, met elke ontleding in dieper liggende factoren. Het is een radicaal, primair-elementair motief"1). En zelf vraagt Poe ons: „Wien is het niet honderdmaal overkomen, dat hij zich op een lage en dwaze handeling betrapte, die hij slechts daarom deed, omdat hij wist, dat zij verboden was?"').

Dat is het daemonische in den mensch, dat ongetwijfeld in „grensmenschen" als een allesbeheerschende kracht zich kan openbaren. Maar ik meen, dat ieder mensch van dezen haat-aan-het-goddehjke iets in eigen zieleleven kan bespeuren, en juist dan, als de Godsopenbaring naar haar allerdiepste zijde, God als de Macht van eeuwige, zoekende, zwijgend-ons-aangrijpende Liefde tot ons komt. Juist dan kan de mensch het donkere, onpeilbare mysterie van zijn mensch-, zijn geestzijn ervaren, juist dan kan de afgrond van zijn wezen zich voor hem openen, en de ik-wil, de „voluntatis aversie", het „Deum non cognoscere"*), het „sich straubén gegen die Gnade" (zooals Otto ergens zegt) zich in hare zinneloosheid, haar duivelachtigheid manifesteeren. Bedoelde Bunyan dit niet, als hij zeide te meenen, dat alleen de duivel hem evenaarde in innerlijke slechtheid, en — welk een andere figuur overigens! — Bismarck, die sprak van het „Sich schwer machen gegen die Gnade" ? 4) Hiervan kan die mensch niets beseffen, die zijn norm stelt in burgerlijke, sociale of louter ethische wet, maar

*) E. Lucka, Grenzen der Seele, 192a: das Damonische, S. 133.

2) Ibid., S. 134.

*) Luther, W. A., 40 (2), 325.

*) Gec naar Troeltsch, Glaubenslehre, S. 309.

Sluiten