Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel hij, die weet, dat men dan alleen van zonde spreken kan, als en naarmate men van God spreekt, dan alleen in de diepte van het zondemysterie ai kan dalen, als en naarmate men in het Godsmysterie af mag dalen. En het allerdiepste, wat wij als Christenen over het Godsmysterie vermogen uit te zeggen, ligt nog altijd in het oude en eeuwige: God is Liefde, heilige Liefde, die ons, ons persoonlijk, wil en roept. Maar in ons staat óp het opstandige „neen", wij revolteeren, „wij slaan den Vader vlakkelings in het gelaat" (Van E e d e n). Dat is zonde naar haar diepste, persoonlijke zijde, en het besef daarvan is zelfkennis, kennisvan ons meest verborgen en ondoorgrondelijk „zelf".

Afstandsbesef, creatuur- en profaniteitsbesef, besef van eigenwilligheid en van daemonisch verzet: met deze vijf momenten meenen wij het wezenlijke benaderd en omschreven te hebben van wat er omgaat in de ziel van den mensch, die, geplaatst voor den hoogsten norm van zijn leven, zijn God, van zonde spreekt. Deze momenten zijn niet te scheiden, vloeien dooreen, gehjk ook wel bleek, kunnen ieder somtijds hun eigen accent boven de andere krijgen: ook dat zal van verschillende beïnvloedende omstandigheden en factoren kunnen afhangen. Maar wij meenen, dat zij in deze volgorde moeten worden genoemd. Er blijkt uit, dat met het door Otto genoemde profaniteitsbesef niet alles, niet het eigenlijke zondebesef, immers het persoonlijke element, is genoemd. Kierkegaard's accentueering van het wilselement, van den trots — en in het algemeen de Reformatorische klemtoon op den voluntaristischen factor in het zondebesef, een klemtoon, dien de nieuwere Protestantsche theologie vrij unaniem, de Zwitsersche uitgezonderd, heeft overgenomen — moet ongetwijfeld gehandhaafd blijven: juist in dezen voluntaristischen factor (besef van eigenwilligheid en daemonisch verzet) blijft het karakteristicum, van het Christelijk zondebesef bewaard, niet het minst dat karakteristicum, dat we tot nu toe niet noemden, maar dat uit het zondebesef niet uit te snijden is: het schuldbesef.

Als C a 1 v ij n zegt: „Ondanks Uw heilsdaden hebben wij toch in ondankbaarheid en onwetendheid gezondigd, ons van U afgewend en ons naar onze lusten gekeerd; wij hebben Uw heilig woord niet de eer gegeven, zooals wij moesten; wij hebben U niet verheerlijkt en verhoogd, zooals het betaamd had"1), dan klinkt daar het echte, Christelijke zondebesef in door mét al de tonen, die vrij daarin onderscheidden, maar dan spreekt daarin ook onmiskenbaar het schuldbesef.

Wat verstaan wij daaronder?

3°. De elementen van het Christelijk schuldbesef.

Vanwaar dat schuldbesef? Ik heb jegens een ander een slechte daad gedaan; mijn vrienden verontschuldigen mij en ik stem zelf met deze verontschuldigingen in: ik kon niet anders, ik moest wel zoo handelen, gegeven alle omstandigheden, invloeden en factoren, die als vanzelf tot die daad leidden — en toch blijft in mij spreken de stem van de schuld, toch zwijgt de zelfaanklacht niet, integendeel, alle verontschuldigingen, zoo redelijk en zoo plausibel, verscherpen slechts mijn

x) Gec. naar Heiier, Das Gebet, S. 379.

Sluiten