Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onweersprekelijk. Menschenlevens laten ons zien, hoe schuld en schuldbesef in omgekeerde evenredigheid tot elkander staan: hoe grooter de schuld, des te geringer vaak het schuldbesef, en omgekeerd. Toch geldt dit alleen van de schuld, die zich aan onze daadzonden verbindt; de opperste schuld, welke zich hecht aan de opperste zonde, onze zondigheid voor God, kent alleen twee reacties in onze ziel: öf het minimal» schuldbesef (de staat der verharding) öf het maximale schuldbesef, dat ontwaakt, als de mensch voor God staat en door Zijn heiligheid en liefde wordt gegrepen.

Dit absolute schuldbesef naar zijn inhoud te omschrijven, is niet zoo gemakkelijk. Of Aulén gelijk heeft, als hij het aanduidt als het bewustzijn van onze onwaardigheid voor God 1), betwijfel ik. Dit bewustzijn is karakteristiek voor het zondebesef; het schuldbesef daarentegen draagt nog anderen gevoelsinhoud. Hier hebben wij allereerst het besef van persoonlijke toerekening en verantwoordelijkheid te noemen. Als de mensch zich zondaar weet voor God, omdat Deze hem in Zijn heiligheid heeft aangegrepen, dan vallen, zooals wij al zeiden, alle zelfverontschuldigingen, alle onderscheidingen tusschen „eigen en aangeboren" zonde weg, dan weet die mensch heel duidelijk: die donkere drift, dat opstandige en duivelsche van mijn wezen, ik zelf sta er achter, ik zelf ben dat, ik, zoo als ik nu hier sta en leef, ik, elk oogenblik anders, in mijn heden door mijn verleden bepaald, door allerlei machten en krachten beinvloed, en toch: ik zelf. Dat is het Augustinische: mea culpa, mea maxima culpa, mijn zonde is mijn schuld! Daarom sprak Luther van natuurzonde en persoonzonde als twee woorden voor hetzelfde feit, omdat dat „wesenhafte" tevens mijn daad is en blijft, en als zoodanig wordt beseft. En dus ook in verantwoordelijkheid wordt beseft. Hierom heeft het schuldbesef dien bitteren smaak, kan het ons brengen tot dat diepe berouw, dat alle eigen wijsheid het zwijgen oplegt en enkel weet te bidden: „God, vergeef mij!", omdat wij ons verantwoordelijk weten: ons leven is niet ons eigendom, wij hebben het van Hem ontvangen, wij zijn er Hem rekenschap over schuldig, wij staan voor onze woorden, daden en gedachten, ja, voor ons gansche „zijn", dat immers ons „zijn" is, voor onzen geest en wil, die immers onze geest en wil zijn. „Dit te weten" zegt Prof. Heering, „dit te weten (n.1. dat God onze Heer en Eigenaar is, wij Hem alles verschuldigd zijn, Hij ons niets), maakt mijn deugd tot mets — ik was het verschuldigd — en maakt mijn zonde tot schuld. Want het is niet alleen Zijn wil, dat ik Hem gehoorzamen zal, het is Zijn heilig recht" '). Dit laatste: „het is niet alleen Gods wil, maar ook Zijn heilig recht, dat ik Hem gehoorzamen zal", wijstóp een derde element in het schuldbesef, dat misschien het best kan worden aangeduid als het besef, Gods recht te hebben aangerand. God is de Heer van ons leven, Hij heeft het absolute recht over ons leven: niet alleen is ons leven Zijn gave, maar ook, het is een leven „in Zijn handen en voor Zijn oogen", een leven, waarover Hij beschikt, elke minuut en elke

l) Aulén, gec. w., blz. 245. *) Heering, gec. w., blz. 13.

Sluiten