Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veel en veel meer zal weten te spreken, te klagen en te biechten dan wij in onze bescheiden godsdienst-psychologische ontleding deden.

De vraag heeft te luiden: welke zijn de gemoedsbewegingen, die een mensch doen spreken: ik heb gezondigd, of ik, zondaar voor God? Die trachtten wij aan te geven, het zonde- en het schuldbesef aan een onderzoek onderwerpende. De mogelijkheid om het te leeren kennen is ons, zooals we zagen, in de Godsopenbaring gegeven. Maar als Christenen bepalen wij die Godsopenbaring het liefst en het best in „Christus". „In Hem", schreven we boven, „krijgt in ons Christelijk geloof Gods Wil en Liefde vorm en gestalte. Tegenover Hem, en nog nader uitgedrukt, tegenover Hem als den Gekruisigde, worden wij menschen ons van onze zonde het scherpst bewust". Zoo is het.

„Christus". Wat bedoel ik daarmee, wien meen ik daarmee? Mijn antwoord kan kort zijn, daar ik ten opzichte van deze vragen niet beter weet te doen dan naar de Christusbeschouwingen van Prof Roessingh verwijzen, gehjk hij die o.a. in zijn „Uitgangspunten eener Christologie op den grondslag der kritische theologie" (Verz. W., II, blz. 321-346) heeft neergelegd en waarmee ik mij éénes geestes weet. Anders is de synoptische Jezus dan de Johanneische Logos, anders deze dan de Paulinische Christus, tegenstellingen te over in de Evangeliën, en toch: achter alle tegenstellingen en tegenstrijdigheden staat een eenheid, een „Gesamtbild", de Nieuwtestamentische Christus als een realiteit, afgezien van de vraag naar de historische werkelijkheid van de Jezusfiguur. Nog eens: het gaat er hier niet om, deze dingen nader uit te werken, waarom het ons hier wel gaat, is, uit te spreken, dat ook wij meenen, dat van deze Christuswerkelijkheid de eeuwen-door machtige invloeden zijn uitgegaan op mensch en menschenwereld, ja, sterker nog, en met Roessingh's eigen woorden, deze Christus „telkens op beslissende oogenblikken als de Godsmacht werd ervaren, die richtend en verlossend op ons toetrad"1).

Richtend èn verlossend, oordeelend, veroordeelend èn vergevend. Deze beide niet van elkaar te scheiden, het een wijzend naar het ander, het ander naar het een, maar toch beide ook twee en verschillend, en ais zoodanig ervaren door den mensch, die midden indeninnerlijken strijd staat.

Wat Petrus ervoer, toen „Christus" tot hem kwam: „Heer, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch", dat is ervaring en belijdenis van alle tijden. Ons zelf, in onzen afstand, in onze creatuurlijkheid en profaniteit, ervaren wij, als Christus voor ons staat, omdat in dien Christus de Godswerkehjkheid zelve „ons aangrijpt, wij zouden bijna willen zeggen: ongereflecteerd, zoo maar als iets, dat ons tot zwijgen brengt en ons het besef geeft van „het andere", dat meer is dan wij"2). En, alweer, wat in enkele woorden en verhalen aan zielservaring opgeteekend staat, welke een Petrus, een Judas, een Kajafas beleefden aan en tegenover „Christus", dat kunnen ook wij verstaan: Christus, Die als openbaring van Gods heiligen Liefdewil den mensch brengt tot

*) Roessingh, Verz. W., II. blz. va. *) Ibid., blz. 342.

Sluiten