Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den grond van zijn zondig, van God afgewend en tegen God rebelleerend menschenwezen.

Dit ontvangt zijn scherpste uitbeelding in en aan het Christuskruis. Daar ontmoeten wij de Godswerkelijkheid, die ons „die letzten, zahen Zusammenhange (unseres) Wesens mit dem Bösen erfahren" laat1). Daar wordt ons onze wUsopstandigheid, onze raadselachtige haat aan het Goddelijke, onze duistere, booze oerdrift, het smartelijkst bewust. Het Kruis van Christus doet ons beseffen, hoe wij met onzen wil ingaan tegen den hoogsten Liefdewil: wij ervaren onze zonde als schuld: het oordeel Gods gaat over ons leven en wij beamen dat oordeel. Althaus heeft duidelijk aangetoond, hoe in dat Goddelijk oordeel de toorn en het gericht moeten worden onderscheiden: de toorn (ira Dei), waarvan Luther spreekt, is het aanvankelijke oordeel Gods over den mensch, die zich in zonde van Hem wendt: „Gott nimmt dem Geiste, der ihm nicht hingegeben blieb, das Auge, ihn zu erkennen, und entzieht dem Willen, der sich gegen ihn behauptet, die Kraft, ihn überhaupt noch zu lieben", de mensch komt te staan onder de wet van geestelijken dood, eenzaamheid en zonde, en het huiveringwekkende van dezen levensstaat is, dat de mensch zijn ellende niet inziet, niet erkent, maar in godverlatenheid, in „das stumpfe Nichtverstehen, das dumpfe Ahnen, das in Melancholie, Weltschmerz und Pessimismus wohnt" voortleeft, zonder tot de belijdenis te komen, dat het God zelf is, Die hem hierin treft, dat het Gods Wil is, die hierin aan hem werkt en hierdoor zijn oogen openen wil. Daarom kan deze „toorn Gods" niet het laatste woord van Gods heiligheid zijn. „Gott ist Gott erst, wo er in seinem Anspruche

anerkannt wird darum ist der Sinn des Zornesverhangnisses

als Behauptung des Herrn der Menschheit erst dann erfüllt, wenn das Gericht als G o 11 e s Gericht zu reden beginnt. Es musz erlebt worden". In de troosteloosheid van godverlatenheid, van verstokt, cynisch voortleven in zonde en eigenlust, openbaart zich de zwaarte van het goddelijk oordeel, maar in het „tot zichzelf komen" van den mensch, in het ontwaken uit gedachteloosheid en verstoktheid, in het open oog krijgen voor eigen schuldigen levensstaat, openbaren zich de hoogte en de zin van datzelfde oordeel. Nu spreken wij van Gods gericht, „wenn Gott uns in der ganzen Majestat des fordernden Willens aufgeht, wenn wir im Gewissen Gottes strenges Nein, sein Urteil und Verstoszen erfahren". Dat is de weg, dien God in Zijn heilige bedoeling met mensch en menschheid gaat: van den toorn naar het gericht. „Wir unterscheiden das Zornesverhangnis, in dem Gott nur noch an uns handelt, von dem Gericht, in dem er mit uns handelt".

Welnu, dit Goddelijk gericht wordt ons door het Kruis van Christus, door den Gekruisigde, in alle scherpte gepredikt en naderbij gebracht. Ook van Gods toorn legt het Kruis getuigenis af: „jenes Zornesverhangnis der menschlichen Geschichte hat er (se. Chr.) erduldet. Es war damit gegeben, dasz er unter den Menschen stand, und gewann seine Einzigartigkeit dadurch, dasz er der Sohn war ... denn was müszte für den Sohn der Bliek auf die furchtbare Macht der Menschensünde

x) Bachmann, gec. w., S. 45.

Sluiten