Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedeuten!" Maar in Christus is deze toorn Gods niet het laatste: het lijden en sterven legt er getuigenis van af, dat deze „toorn" overwonnen werd, d.w.z. opgeheven tot „gericht". Dat toch bovenal openbaart het Christuskruis: het gericht Gods, de Goddelijke aanklacht tegen den mensch als zondaar, het: „Dit doet gij en zóó zijt gij!" Voor het Kruis zien wij onszelve, zooals wij zijn, wanneer alle maskerade van ons valt, „an diesem Kreuze enthüllt die Menschheit sich"1). Nergens zullen wij zóó gedwongen worden den blik in eigen ziel en geweten te slaan, tot de kennis van eigen zonde en onwaardigheid te komen, als waar de lijdende, stervende en gekruisigde Christus — lijdend en stervend onder ons en voor ons, mededragend de zonde, en daardoor de verworpenheid, van het menschelijk geslacht — in Zijn zwijgende macht zich aan ons openbaart: dan inderdaad gaat Gods gericht over ons leven en weten wij ons geraakt en blootgelegd naar onze verborgen, duistere wilsopstandigheid.

Hiermede is zeker nog niet alles, zeker nog niet het beste genoemd dat het Christuskruis bewerken kan: immers, diepste zondeervaring èn zondevergeving in éénen kunnen door dat Kruis worden gewekt: het Kruis is, naar een woord van Brunstad, „der erschütterndste Buszruf, das Entsetzliche, Niederschmettèrnde, und der heiligste Trost zugleich"2). In ons Christelijk geloof is God de Heilige èn de Liefde, de Heilige, Die oordeelt en de Liefde, Die vergeving en vernieuwing schenkt. Wij kunnen deze beide begrippen niet scheiden: in Gods wezen zijn zij één, wijst de heiligheid naar de genade en is in zekeren zin reeds het eerste werken der genade, en is ook deze genade niet zonder de Goddelijke heiligheid te denken, welke den mensch tot den deemoed om eigen zonde brengt, om hem juist dan in liefde tot de gemeenschap Gods te trekken. Wij kunnen deze beide begrippen niet scheiden, al zullen wij bijna steeds in de ervaring van ons leven hun tweeheid beleven: Gods heiligheid, die ons neerslaat en oordeelt, Gods Liefde die ons uit oordeel en gericht redt.

Welnu, het is niet alleen het Goddehjk oordeel — naar zijn beide zijden van toorn en gericht —, maar het is bovenal die mysterieuze, paradoxale twee-eenheid van oordeel èn genade, van gericht over onze zonde èn vergeving van onze zonde, welke de Christenheid door alle eeuwen in en aan Christus' Kruis heeft ervaren. Het is de Goddelijke Liefde, die aan het Kruis ons wordt geopenbaard, de Liefde, die wordt geslagen en gemarteld, waarop de zonde der gansche menschheid haar aanval doet, maar die in en boven dat alles Liefde blijft. Zoo ergens, dan hier leert de mensch verstaan, wat vergeving eigenlijk is: alle menschehjke vergeving is een „Abbild" van de Vergeving aan het Kruis. Zoo ergens, dan hier hoort de zondige mensch het Goddehjke vergevings-woord klinken dwars door het oordeel Gods heen. Juist Hij, Die de diepe kloof tusschen hemel en aarde, God en mensch in en door Zijn lijden en sterven openbaart, kan dien mensch de genadeboodschap van het Goddehjk „en toch" brengen. Men kan dit uitdrukken op

M Althaus, das Kreuz Christi (Z.f. Syst. Theol., 1923,1, S. 117 u.f.). a) Brunstad, die Idee der Religion, S. 300.

Sluiten