Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgevat naar Roessingh's bedoeling: den geloofsinhoud in relatie stellen met het denken van eigen tijd.

§ 2. Past in een vrij zinnige dogmatiek een zondeleer?

Onze tweede vraag sluit bij de eerste aan: past nu in zulk een „dogmatiek" — opgevat als de wetenschappelijke, theologische omschrijving van wat in bepaalde kringen als geloof geldt — een zondeleer? Het moge den lezer reeds duidelijk zijn, dat wij hier denken aan den kring van het z.g. Rechts-modernisme, waarmee zeker niet het gansche VrijzinnigProtestantisme ten onzent zich dekt, maar waarmee toch een zeer groote, zoo niet de belangrijkste groep van het Nederlandsche Modernisme in de huidige situatie wordt aangeduid. Of van een zondeleer in den eigenlijken zin en van zondebesef in de Christelijke beteekenis gesproken kan worden bij figuren als Wannée of Van Senden, die, hoewel binnen het kader van ons Vrijzinnig-Protestantisme, toch lijnrecht tegenover het Rechts-modermsme staan, blijft een objectief met uit te maken zaak. Wat is „Christelijk" en waar loopt de grens? Dat de beschouwingen van dezen uitersten linkervleugel over God, den mensch en de zonde wel verre liggen van wat wij als het wezenhjkChristefijke in den loop der eeuwen meenen op te merken, dat lijkt ons onweersprekelijk. Als Wannée van de zonde zegt dat zij „de plaats aanwijst in het leven van den individu en in de gemeenschap, waar nog het groote licht ontbreekt", „maar in zich zelf heeft zij geen bestaan" *) of Van Senden haar verstaat als den noodwendigen weerstand, die „het Al in Zijn wil tot stijging" ondervindt *), bij beiden de zonde dus als noodzakelijkheid en onvermijdehjkheid begrepen wordt in het groote Goddehjke ontwikkelingsproces, daar zijn wij weer terechtgekomen, hoe groot de verschillen onderling ook mogen zijn, bij wat ook een S c h o 11 e n, ook een Opzoomer reeds hadden geleerd: de zonde een noodwendige phaze, een doorgangsstadium, een negatie, onvermijdelijk, maar stellig niet als positieve anti-Goddelijke macht te verstaan. En ofschoon ook een Scholten en een Opzoomer zeer bewust hun zondeleer gegeven hebben (zie boven, Hoofdst. I), de vraag kan worden gesteld, of hier in Christelijken zin van zonde te spreken is, waar het monisme, determinisme en pantheïsme (dit laatste aesthetisch of kosmisch van kleur) zóó hun stempel zetten. Wij meenen, dat met „zonde" toch steeds een dualisme in levens- en wereldbeschouwing gepaard gaat, een dualisme, dat tot op den grond van het menschenleven en de menschenziel gaat en den mensch, naast alle geloof in Goddehjke immanentie, het sterke besef van de gescheidenheid der twee werelden geeft, het „diesseits" van menschehjke kleinheid, creatuurlijkheid en schuld en het „jenseits" van Gods Werkelijkheid, die vernieuwend, reddend in onze menschenwerkehjkheid ingrijpen moet. Waar in de historie van het Christelijk geloof van zonde sprake was, daar werd dit woord toch steeds tegen dezen achtergrond van dualisme en Goddelijke transcendentie eerst begrijpelijk, daar kreeg het toch eerst tegen dezen

ï) 7. C. Wannée, Religieuse Levens- en Wereldbeschouwing *, blz. 75.

*) Dr. G. H. van Senden, Uit den strijd om nieuwe levenswaarden, blz. 250 e.v.

Sluiten