Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Teruggrijpend op het vorig hoofdstuk, noemen wij vier centrale ervaringen. Allereerst die van distantie. God is in den hemel en ik ben op aarde. Hij is de Andere-dan-de-wereld en de Andere-dan-mijn-leven, ook al sluit dit „gansch-anders-zijn" van God geen oogenblik Zijn „WesensahnUchkeit" met ons wezen uit. Hij is de „Heilige" en ik ben stof en asch voor Zijn aangezicht. Hij is het Mysterium Tremendum, waarvoor ik enkel mijn kleinheid en nietigheid, mijn „zondigheid" (in den „Ottonischen" zin van creatuurlijkheid) besef, ook al is van dit „tremendum" het „fascinosum" niet los te maken. Hij is de On-aardsche en Machtig-verhevene en ik weet mij zeiven aardsch, en aan aarde en tijd gebonden. Hij is het „Sanctum et Augustum", waartegenover ik mijn profaniteit" ervaar: ik ben een mensch met onreine Uppenl Dit distantiebesef, deze afstandservaring komt mij voor het primaire te zijn in ons zonde-beleven.

Naast deze grondervaring, het distantiebesef, zullen het drie geloofsuitspraken zijn, waaraan in een Christelijke zondeleer uitdrukking moet worden gegeven: i°. mijn menschenwezen is zondig, dit opgevat in radicalen en absoluten zin, 2°. ik weet mij in mijn menschenwezen één met alle menschenwezen, 30. mijn zonde is mijn schuld.

i°. Mijn menschenwezen is zondig. Dat is de uitspraak, waartoe wij, zooals we zagen, moeten komen, wanneer wij niet aan den buitenkant van woorden of daden blijven staan, maar, onder den dwang van de Godsopenbaring in Christus, dieper in ons menschzijn graven gaan. Dan gaan wij weten: achter onze zondige woorden en daden liggen zondige gedachten, maar ook deze op hun beurt wijzen terug naar diepere lagen: wij weten, dat achter woord, daad en gedachte zich een menschenwezen verhult, dat „zondig" is, zondig, d.w.z. verre van God, profaan en onwaardig tegenover Hem, maar vooral zondig in dien donkeren oer-drang, die zich op den bodem van dit menschenwezen openbaart, zondig in den wil. Dat is het radicale, d.w.z. het tot den wortel doordringende, en het absolute geweest in het zondebesef bij de Reformatoren, zooals wij zagen, dat zij dien boozen, tegen God rebelleerenden oer-wil als het wezen van 's menschen wezen hebben ontdekt, en daarom onverbiddelijk den mensch een zondaar hebben genoemd, omdat zij wisten, dat achter alle goedheid en waarheid en idealisme, waaraan de mensch zich dagelijks geven kan, toch deze van God afgewende, tegen God opstandige, naar het eigen ik toegekeerde wil, verborgen ligt. De mensch, ook de zedehjk-strevende, wet-betrachtende, idéalen-najagende mensch, weet zich, staande voor God-in-Christus, ontdekt naar zijn verborgen „superbia", waarvan hij niet loskomt, door geen „zedelijkheid", geen „wet", geen „idealisme", geen „braaf-zijn" en geen „goed-doen". Ons schijnbaar zedehjkste en vroomste handelen staat in dienst van deze superbia, door Luther ook wel met het, overigens gevaarlijke woord concupiscentia, aangeduid. Als wij, menschen, met al onze voortreffelijkheden, al onze prestaties hier in de wereld, al onze „goede" daden, ons plaatsen voor Gods aangezicht: waar blijven wij dan ? Dan weten wij voor Hem niet te staan, zooals we moeten staan, Hem niet te kunnen geven het ééne geschenk, dat Hij van ons vraagt,

Sluiten