Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(peccatum originatum), 40. de actueele zonde of daadzonde (peccatum actuale) en 50. de leer der vrijheid (liberum arbitrium). Deze indeeling is niet waardeloos, wij zullen haar althans in hoofdzaak volgen en achtereenvolgens in dit gedeelte spreken over zonde, schuld, erfzonde, erfschuld, en zondeval. Welke plaats en beteekenis komen dezen begrippen toe in een Vrijzinnig-Protestantsche dogmatiek?

a. De Zonde.

Wie nog maar oppervlakkig kennis neemt van de Protestantsche dogmatiek en haar leer over de zonde, ziet, dat het wezen der zonde op zeer verschillende wijze wordt aangeduid. Er is sprake van zinnehjkheid en van zelfzucht, van wereldlust en wereldzucht, van geloof aan de wereld, van gebrek aan eerbied en vertrouwen tegenover God; nu eens wordt de zonde in het materieele, dan weer in het geestelijke gezocht, nu eens is het „somatische" haar zetel, dan weer de wil, nu eens is zij enkel negatie, een nog-niet-zijn, en verkeerde verhouding van elementen, die in en op zich zelf goed zijn, dan weer een positief kwaad, een positieve macht, nu eens blijft men bij de individueele, actueele zonden staan, dan weer (en meestal) wendt men zich tot den habitus, welken men achter alle daadzonden vermoedt, nu eens (en heel vaak) beweegt zich haar wezensbepaling in louter ethische categoriën, dan weer schijnt men te beseffen, dat met het ethische het eigenlijke nog niet is geraakt.

Waarin ligt het wezen der zonde?

Bij onze poging om het zondebesef te ontleden, hebben wij in het vorige hoofdstuk twee „zonde-typen" ontmoet, die in 't bijzonder onze aandacht vroegen: de zondebeschouwing der Barth'sche School en die van Kierkegaard. Bij de bespreking beider typen (zie Hoofdst. II, § 4) aarzelden wij niet aan het voluntaristisch zondetype de voorkeur boven het metaphysische te geven. Allereerst (hoewel dit nooit de voornaamste reden is of mag zijn), omdat niet het abstract-metaphysischexistentieel, maar het geestelijk-religieus-voluntaristisch zondebegrip de Reformatorische zonde-lijn doortrekt. Niet Barth, voorzooverre hij de zonde tot een „malum metaphysicum" maakt en zonde identificeert met „vleesch" en „mensch", maar Kierkegaard, voorzooverre deze in de hoofdhjn zijner gedachten de zonde persoonlijkreligieuzen inhoud geeft door haar aan te wijzen in 's menschen geest en wil, beweegt zich op Christehjk-reformatorischen bodem. Het is het wilselement, dat bij Luther en Calvijn het wezen der zonde uitmaakt. Zonde is hun „superbia", het „God niet hebben en niet willen hebben", daarom ongeloof. „Alles, wat niet uit het geloof is, is zonde". In deze „superbia" — niet allereerst ethisch maar religieus opgevat — ligt de kern van het Reformatorisch zondebegrip. Dat heeft Kierkegaard begrepen, beter dan de Zwitsersche theologen, hoewel dezen zich juist de predikers der Reformatorische gedachten bij uitnemendheid achten. En naast Kierkegaard vele anderen uit de nieuwere theologie eveneens (zie Hoofdst. II, blz. 107). Willen ook wij in onze zondebeschouwing op Christehjk-reformatorische banen bhjven, dan hebben ook wij een voluntaristisch, geen existentieel, een religieusgeestelijk, geen metaphysisch-naturalistisch zondebegrip te handhaven,

Sluiten