Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en met Luther, Kierkegaard en vele anderen de zonde te zoeken in de anti-goddelijke, in zichzelf gekeerde „superbia" van onzen geest.

Wij hebben dat ook te doen (en dat is de belangrijkste reden), omdat alleen een voluntaristisch zondebegrip beantwoordt aan ons zondebesef, gelijk boven ontleed. Tegenover de Godsopenbaring van Christus aan het Kruis ervaren wij onzen afstand, een afstand niet van tijdelijkheid tot eeuwigheid, maar van onzen wil tot Gods heiligen Wil. Het Christuskruis grijpt ons in ons geweten vast en legt ons menschenwezen bloot naar zijn daarin werkenden ik-wil. Van het Kruis gaat het oordeel Gods uit, niet over onze existentie als zoodanig, maar over ons menschzijn als geest-zijn, als wilsbepaaldheid. Menschenwil ontmoet daar Gods Wil en weet zich opstandig, trotsch, zondig. Wie als maatstaf, om tot kennis der zonde te komen, de Godsopenbaring in Christus aanneemt, kan vandaaruit nooit tot een existentieel zondebegrip komen, waarbij de zonde met de creatuur lij kheid qua talis wordt gelijkgesteld (nog eens, waar blijft dan het aanknoopingspunt voor de verlossing, welke toch ook van „Christus" en van „het Kruis" uitgaat?): wij moeten hier komen tot een geestelijk zondebegrip.

Bovendien: de „peccata actualia", de daadzonden komen alleen bij een zoodanig zondebegrip tot hun recht. Wie het mensch-zijn als zoodanig en in absoluten zin met zonde identificeert, kan hieruit het ontstaan en bestaan der actueele zonden moeilijk verklaren: als alles aan mij zonde, „Nichtigkeit, Fleisch, Nonsens" is, welke aparte beteekenis kan dan nog aan mijn zonden worden toegekend? Het is dan ook wel typeerend, dat in de „Zwitsersche" zondeleer over de zonden nauwelijks wordt gesproken. Daarentegen, is zonde zondige wil, dan is het te begrijpen, dat deze diep verborgen wil zich manifesteert en uitwerkt in zondige woorden, daden en gedachten; achter en in de actueele zonden verhult zich dan de ééne „superbia". Het is Althaus, die, in een zeer mooi artikel, waarheen wij nog meerdere malen zullen verwijzen1), er op heeft gewezen, dat de zonde-werkelijkheid onder drieërlei gezichtspunt te beschouwen is, n.1. i°. in de menschelijke geschiedenis onthult zich een zondig menschenwezen (dat is, zegt Althaus met Holl, de Reformatorische ontdekking, welke wij niet mogen verliezen), maar ook 2°. door menschelijke daden, waarin onze zondige „Wesenswille" werkt, ontstaat de geschiedenis, en 30. in de geschiedenis, waarin de menschelijke daden werkzaam zijn, wordt de mensch en de menschheid. Terwille van het eerste gezichtspunt, het Reformatorische, mogen we — aldus Althaus — het tweede en derde niet verwaarloozen. Het tweede heeft te maken met de daadzonden, met de zelfstandige beteekenis van de daad, waarin zich het wezen openbaart, het derde heeft te maken met den samenhang, waarin onze zondige daden staan en komen te staan, met het „rijk der zonde", dat ontstaat door de wisselwerking en vervlochtenheid der zondige menschelijke handelingen hier op aarde, waardoor mensch en menschheid in hooge mate worden beinvloed. Op dit tweede en derde gezichtspunt hebben Schleiermacher en Ritschl met nadruk gewezen (van den laatste is

*) Althaus, Zur Lehre von der Sünde (Z.f. Syst. Th., 1923, 2, S. 314 u.f.)

Sluiten