Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. De Schuld.

Wij meenen, dat onlosmakelijk aan de zonde de schuld verbonden is. Verschillenden der nieuwere dogmatici zijn het met deze uitspraak niet eens en hebben zonde en schuld in een bepaalde, onderlinge verhouding geplaatst. Het zijn in het bijzonder de theologen uit R i t s c h I's school, die nadrukkelijk het onderscheid tusschen zonde en schuld gehandhaafd willen zien. Zoo wil b.v. Kaftan onder zonde^ beschouwen al het menscheUjk willen en handelen, dat met den Goddelijken wil in strijd is, de schuld daarentegen bepalen naar de mate van bewustheid, waarmee de Goddelijke wil overtreden wordt; „der Maasstab ist also da ein anderer als bei der Beurtheilung der Sünde, weil und insofern dies weitere Moment, die subjektive Erkenntniss und Stellung des Willens, modifizirend einwirkt", „die Sache ist die, dasz das Objekt der Beurtheilung in beiden Lehren, der von der Sünde und der von der Schuld, dasselbe ist, namlich das natürliche Wollen und Handeln des Menschen, dasz aber der Gesichtspunkt ein anderer ist, wenn wir nach der Sünde und wenn wir nach der Schuld f ragen" x). Nog uitvoeriger dan Kaftan is Th. Haering op deze questies ingegaan. In zijn dogmatiek schrijft de laatste kort en bondig: zonde is een objectief, schuld een subjectief begrip, aldus nader verduidelijkt: „das Wort Sünde bezeichnet den Widerspruch des menschlichen Willens zum göttlichen im Verh&ltnis zu diesem göttlichen Willen, zu dieser objektiven Norm, das Wort Schuld dagegen bezeichnet den Widerspruch des menschlichen Willens im Verhaltnis zur subjektiv vorhandenen Einsicht in jene objektive Norm und zur subjektiv vorhandenen Kraft, sie zu befolgen" a). Waarom het in diepste instantie gaat, wordt ons echter het duidelijkst, wanneer wij de interessante polemiek volgen, die, enkele jaren terug, tusschen Haering en Holl gevoerd is naar aanleiding van de Luther-studie van den laatste. Terwijl Holl de radicale en absolute uitspraken van Luther (n.1. dat onze „Sündhaftigkeit" ook tegelijk onze persoonlijke schuld is, dat onze „Natursünde" ook onze „Personsünde" is) geheel voor zijn rekening nam, wees Haering deze identificatie van zondigheid en schuld met beslistheid af en stelde de vraag, of werkelijk „unsere Sündhaftigkeit unsere persönliche Schuld" te noemen is. Haering ontkent dit: onze aangeboren ik-zucht kan en mag nooit onze schuld genoemd worden; dat de mensch „im ganzen Bestand seines Wesens seine Tat" zou zijn (gelijk Holl op Luther's voetspoor beweerde) geldt slechts, meent Haering, voorzoover de mensch persoonlijk verantwoordelijk is; wel wordt, bij verdieping en verinnerlijking van ♦s menschen zieleleven de „Einheitlichkeit" der schuld sterker, maar nimmer kan dat beteekenen, dat „Sündhaftigkeit" en „Schuld" gelijkgesteld mogen worden. Haering waarschuwt voor de uiteenzettingen van Holl: er verbindt zich een bepaalde gevoelsstemming aan en daarom maken zij den indruk ernstiger te zijn!'). In den 2den en

!) Kaftan, Dogmatik, S. 338.

>) Th. Haering, der chr. Glaube, S. 339- , _ „ . _ .

») K. Holl, Gesamm. Aufsatze, I, Luther, S. 57-67. Th. Haering, Ist unsere Sündhaftigkeit unsere persönliche Schuld (Z.f. Th. u. K., 1922, S. 237-255).

Sluiten