Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Twee ervaringen noemden wij boven, die in een „vrijzinnige dogmatiek" zeker hun verwerking moeten hebben. De eene is: ons menschenwezen is zondig, de andere: die zondigheid is schuld. Deze ervaringen zijn Reformatorische erfenis, die wij willen handhaven, omdat zij tot die diepste en meest waarachtige behooren, welke een Christen kan maken. In het voluntaristisch-geestelijk karakter der zonde (zondeals anti-goddelijke ik-wil, zonde als superbia) en in de onlosmakelijke verbondenheid van zonde en schuld (deze laatste verstaan als culpa en verantwoordelijkheid, en in het vrijheids- en daadkarakter van onze persoonlijkheid gegrond) meenen wij beide ervaringen te kunnen bewaren. Zonde als geestes-houding, als wils-rebellie kan met anders dan schuld zijn, ook dan, wanneer zij niet door mijn „vrijen wil momenteel wordt beaamd. Zonde en schuld mogen niet gescheiden worden. —

c. De erfzonde en erfschuld. .

Dat het dogma der erfzonde, zoowel in de Roomsche als in de Protestantsche zondeleer, een centrale plaats heeft ingenomen en grootendeels nog doet, hebben wij in onze historische hoofdstukken genoegzaam kunnen opmerken. De gedachten van het „non posse non peccare", van de „massa perditionis" en de „concupiscentia : bij Augustinus, bij de Reformatoren en in heel de oud-Protestantsche dogmatiek, zijn zij schering en inslag. Het is de idee der erfzonde, der Adams-zonde, die al-verwoestend en al-verdervend zich voortplant door de menschengeslachten heen, zoodat gansch de menschheid zucht onder de gevolgen van den val van haar eersten voorvader welke de basis vormt van de geheele hamartiologie en sotenologie der Katholieke en traditioneel-Protestantsche wereld. De Aufklarung wilde begrijpehjkerwijs niets van haar weten, beschouwde haar als waan en bijgeloof, maar eerst Schleiermacher en Ritschl zijnonder de nieuwere theologen degenen geweest, die haar door iets beters hebben trachten te vervangen. Onze poging, de erfzondegedachte voor onze moderne theologie te behouden, door haar bhjvende waarde en waarheid te ontdekken, kan derhalve het best uitgaan van een korte en critische „Auseinandersetzung" met de beide erfzonde-typen, gelijk die tot op onzen tijd te vinden zijn, het tradtttoned-kerkelijke en het Schleiermacher-Ritschliaansche.

Wat het eerste betreft, de bezwaren liggen voor het grijpen. Men behoeft met Wannée's oppervlakkige „weerlegging' : „een God, die de heele menschheid of een deel daarvan om een gesnoept appeltje van een betover-grootvader naar de eeuwige verdoemenis verwijst, ken ik niet en wensch ik niet te kennen" *) nog met in te stemmen, om toch het erfzonde-leerstuk in zijn geijkten kerkehjken vorm te verwerpen. Gehjk bekend is, bracht Ritschl er drie bezwaren tegen te berde: het zou alle verantwoordelijkheid opheffen, alle opvoeding onmogelijk maken en geen onderscheiden in het kwade meer toelaten »). Het eerstgenoemde raakt mderdaad het

*) Wannée, gec. w., blz. 87. ... TTI _ „„ „ .

») A. Ritschl, Lehre der Rechtfertigung und Versohnung, III, S. 300 u.t.

Sluiten