Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diepgaande manier het wezen der Christelijke (erfjzonde-gedachten laat gevoelen, des te opmerkelijker, omdat Wj de andere vertegenwoordigersder Zwitsersche theologie aan de „erfzonde" geen bijzondere opmerkzaamheid wordt geschonken, zij- aldus b.v. Wj Barth - eenvoudig ee n andere omschrijving van zonde, creatuurlijkheid, mensch, tijdelijkheid is. Maar Brunner, die, reeds in zijn „Mystikund Wort", maar vooral in „der Mittler", de voluntaristisch-geestelijke lijn in zijn zondebeschouwingen accentueert, sterker dan dat ergens anders in de geschriften der Zwitsers geschiedt, kan ons juist daarom het raadsel der erfzonde beter recnt-

VaaDi?raadsel: mijn wezen is één met alle menschenwezen en toch persoonlijk schuldig, of, anders uitgedrukt, mijn zonde is mijn persoonKike daad en toch gegrond in wat ik met allen als mensch gemeen heb, kan ons in zijn verborgenheid alleen dan begrijpelijker worden, wanneer wij na gaan denken, zoowel over het verband tusschen enkeling en gemeen-^ schaf als over dat tusschen verleden en heden1). Want om dat tweeërlei verband gaat het ten diepste in de oude erfzondeleer. De enkehng staat niet slechts op zichzelf, noch is de gemeenschap louter optelsom van individuen, maar in den enkeling leeft de gemeenschap, ja de menschheid, en deze op haar beurt wordt uit de enkelingen samengesteld, zonder nochtans haar eigen eenheid te verliezen. De mensch ,s „zichzelf maar tevens onmiddelhjk (d.w.z. ongereflecteerd, vóór alle redeneering!)

gemeenschap", „menschheid", daarom verantwoordeHjk, onafwijsbaar verantwoordelijk, hoewel hij geworteld staat met zijn menschenwezen in het menschheids-wezen. In de gemeenschappen, die door families, kerken, volkeren gevormd worden, kan deze ervaring ons soms opeens duidelijk worden: wij zijn onszelf, enkehngen en toch^ één met allen, gehjk allen één zijn. Tegenover Christus' Knus Iran de mensch datzelfde, maar dan naar zijn diepste strekking, ervaremik ben ik en ik sta voor mij zelf, en ben toch met allen één, onlosmakehjk aan allen verbonden, éénes vleesches, éénes geestes en dus ook: één> m wil, in zondigen, tegen God rebelleerenden wil. Zoo blijft de schuU ondanks al e gemeenschap, de aanklacht ondanks alle soUdariteit. „Es ist der tiefe Sinn des Erbsündegedankens dasz jeder von uns m dem Grundbosen mit allem Menschentum eins ist. Gerade in der ganz personhaften Simde, in der Verkennung und Verunehrung Gottes, smd vm Fle,sch . Sie S, obgleich unsere persönlichste Schuld, nicht "««duelle sondern unbegreiflich-gemeinsame Urtat. Wir müssen uns, wenn Gott nchtet^ aï persönlich-verantwortlich von allen anderen lösen und einsam werden, und sind doch eben darin mit allen verbunden, ungelost vom Menschheitsschicksal" *). Zoolang men geen andere oplossing aanïTverg. Heering, Het zedelijk Oordeel, blz. 53: "Het bUjft voor ons een raadsel:

Althaus, gec. art., passim.

Sluiten