Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het inzicht mocht komen van de groote harmonie, bij de hevigste bewogenheid, in dit menschbestaan; een harmonie welke den dichter van het eigen Ik verbindt met den hartstochtelijken zoeker van het Onbenaderbare dat men God pleegt te noemen. Er is dus wel een zeer pregnante lijn te herkennen in Kloos' ontwikkelingsgang.

Met schroom heb ik mij gewaagd aan de beschrijving van het zoo teêre, het zielseigene, het van diep-uit stormende, dat in zijn lyrische verzen leeft als schoonheid; met meer gerustheid heb ik de geschiedenis opgeteekend van de groote botsing tusschen de redacteuren van het tijdschrift, door Kloos gesticht; met stijgende bewondering heb ik den groei gevolgd van den wijsgeer-dichter, die kort na den aanvang dezer eeuw door een nieuwe inspiratie de verzen kon schrijven welke de uitdrukking werden van zijn verheven mystiek Pantheïsme. Ik weet wel, dat deze laatste meening door weinigen kan worden gedeeld, zoodat het den schijn krijgt of ik strijd voor een verloren zaak. Dit spreekt van zelf: de edelste der wetenschappen laat de meeste menschen koud, zij hebben er zich nooit in verdiept, zij wenden zich onwillig af of zeggen, dat de wijsbegeerte geen onderwerp voor de poëzie kan zijn. Het staat bij mij vast, dat hiermede poëzie en wijsbegeerte beide op schromelijke wijze worden miskend en Kloos het tegendeel heeft bewezen met het voortbrengen van een wijsgeerig poëtisch oeuvre, dat door omvang, diepte en oorspronkelijkheid-vanvorm iets eenigs is in onze letterkunde en bestemd schijnt, eerst in de toekomst de waardeering te zullen vinden die het verdient.

Ik mag deze voorrede niet eindigen zonder den bibliothecaris van het Rotterdamsch Leeskabinet, den heer J. E. van der Pot, mijn erkentelijkheid te betuigen voor de groote mildheid waarmede hij allerlei studie-materiaal uit de door hem beheerde boekerij langen tijd tot mijn beschikking heeft gesteld. Een hartelijk woord van dank breng ik den heeren Antoon van Welie en Paul Arntzenius te 's-Gravenhage, die door hun tegemoetkomende vriendelijkheid den Uitgever, gelegenheid hebben gegeven, mijn boek te verluchten, onderscheidenlijk met een portret van den vijfenzeventigjarigen en den vierendertigjarigen Willem Kloos.

K. H. de Raaf.

Rotterdam, Juni 1934.

Sluiten